OPTIMALISEREN
VAN DE POLSSTOKENERGIE
Tekst
en tekeningen Georges Friant
Bondscoach polshoogspringen KNAU
Trainer polsstokschool Sittard.
Foto’s o.a. Cees Beets
Uit dit
document mag niets worden gepubliceerd of gekopieerd
zonder
toestemming van de auteurs.
OPZET
Polsstokspringen is eigenlijk een opeenvolging van
deelbewegingen die zeer snel achter elkaar moeten uitgevoerd
worden. Alhoewel elke deelbeweging telkens afzonderlijk kan
getraind worden, moet het springen toch als een “motor-geheel”
gezien worden. Elke volgende fase van de sprong steunt op een
actie die daarop voorafging. Het uiteindelijke resultaat van de
totale sprong is maar in die mate succesvol wanneer elke
vroegere deelfase technisch nauwkeurig en evenzeer perfect
uitgevoerd wordt.
De
“springer-atleet” moet het polsstokspringen beschouwen als een
eenvoudige basistechniek. De coach moet zich daarom
onmiddellijk focussen op basiselementen van het springen. Dit
idee geldt voor alle springers los van welk niveau of welke
prestatie ze ook gesprongen hebben.
De Amerikanen
zeggen: “Concentrate on the essential fundamentals!”
Daar nijpt nu
juist het schoentje bij vele trainers en atleten.
Verkeerde
diagnostiek en verkeerde verbeteringen tijdens het springen,
teveel technische items aan een atleet willen meegeven na een
foutieve sprong zodanig dat de atleet niet meer weet waarop hij
zich nu moet focussen bij zijn volgende beurt, zijn veel
voorkomende fouten.
Jammer genoeg
zie ik ook te vaak atleten die halsstarrig blijven vasthouden
aan foutieve houdingen en technieken omdat ze in het verleden zo
steeds behoorlijke prestaties hebben geleverd.
Men moet ook
durven en willen investeren in een techniekverandering, zoniet
zal vroeg of laat de atleet-springer geen vorderingen meer
maken. Erger nog, er zullen waarschijnlijk blessures optreden
wat zeker niet ten goede komt van de motivatie!
De bedoeling
van deze rubriek “TECHNIEK” op deze website, is het eigenlijke
polsstokspringen technisch wat te verduidelijken, beginnende
vanaf de basisprincipes.
Maandelijks
zal op deze site een deelbeschrijving van het polsstokspringen
volgen, verduidelijkt met foto’s en illustraties.
Ik zal pogen
de fasenstructuur van de moderne technieken van het huidige
polsstokspringen aan te tonen en daarbij belangrijke elementen
te verklaren. Het doel is dus een modeltechniek van het
polsstokspringen op te bouwen. Op deze website zal men een
aantal technieken terugvinden, die zowel bij jongere als oudere
springers
kunnen
gebruikt worden.
Indien men
bij 10 tot 13-jarigen reeds aan techniek wil doen, moet men
ernaar streven
alles zo
correct mogelijk aan te leren. Op deze leeftijd staat een kind,
wat het tenslotte nog steeds is, enorm open voor nieuwe dingen.
Hopelijk zal
dit een bijdrage leveren tot prestatieverbeteringen van onze
Nederlandse polsstokspringers.
Het polsstokspringen is de enige tak binnen
de atletiek waarbij de prestatie met behulp van een
“instrument” verwezenlijkt wordt.
De voordelen van een huidige glasvezelstok
komen slechts tot uiting indien de atleet, een specifieke
bewegingstechniek toepast. Een buigbare stok kan slechts de
energie, die men er vooraf in geïnvesteerd heeft, nadien terug
weergeven.
Met andere woorden, polsstokspringen is
eigenlijk een opéénvolging van bewegingen die snel achter elkaar
moeten uitgevoerd worden.
Prestaties bij het polsstokspringen zijn
bepaald door efficiëntie van de verscheidene opeenvolgende
bewegingen die de energietransfer optimaliseren in een verticale
richting.
Allereerst moet we men er echter rekening
mee houden dat de variatie van het sprongritme in direct verband
staat met de greephoogte. Het ritme beïnvloedt rechtstreeks
zowel de uitvoering en de duur van de bewegingsfasen, alsook de
totale duur van de sprong.
Om dit te bereiken, worden hoge eisen aan
zowel de fysisch-motorische als aan de technische vaardigheden
van de atleet gesteld, hetgeen bewijst dat “polsstokspringen”
een combinatie van atletische en gymnastische elementen is.
Bijvoorbeeld, de ene springer is supersnel
tijdens zijn aanloop maar onefficiënt bij de “plantbeweging” van
zijn polsstok, wat dan weer zal resulteren in een vertraging van
de beweging tijdens de meest cruciale fase, namelijk de
afzet.
Uit wetenschappelijk onderzoek weten we dat
om hoog te springen een maximale aanloopsnelheid noodzakelijk
is, vooral tijdens de laatste 10 tot 5 meter voor de insteekbak.
Alhoewel er meerdere componenten van het polsstokspringen zijn
welke resulteren in snelheidsverlies of oorzaak zijn van
energieverlies in een verticale richting.
Het doel van dit artikel is concepten te
ontdekken die onze Nederlandse polsstokspringers helpen om een
efficiënte en maximale energietransfer te creëren tijdens het
polsstokspringen.
Zeer belangrijk is dat de atleet zich moet
concentreren op de “fundamentele basis”!
De technieken, in dit werkje beschreven
zijn uiteraard bedoeld voor rechtshandige springers. Laten we
beginnen met het “BEGIN”.
HET DRAGEN VAN DE POLSSTOK

Foto 1 Chris Leeuwenburgh
DOEL: efficiëntie, rendement en
ontspanning, in functie van de aanloopsnelheid.
Onderzoeken hebben aangewezen dat de manier
waarop de polsstok gedragen wordt grote invloed heeft op de
maximale aanloopsnelheid van de individuele atleet.
Die speciale manier wordt gekenmerkt door
een verticale lijn van de overlangs as van de polsstok, die
bereikt wordt door de punt behoorlijk hoog op te heffen.
De snelheid die men daardoor bereikt ligt
aanzienlijk hoger dan de snelheid die men bereikt met een
horizontaal dragende polsstok.
Analoog naar Petrov’s model, zal de
greepbreedte van de handen aan de polsstok identiek zijn alsof
men comfortabel hangt aan een rekstok of een horizontale baar.
Dit is ongeveer schouderbreedte. Vanuit
deze positie is het makkelijker te pendelen en te zwaaien.
Terwijl men slingert aan een horizontale baar is de afstand
tussen de handen en de voeten het grootst wanneer men de handen
vast heeft op schouderbreedte in tegenstelling tot een greep,
breder dan schouderbreedte.
Een totale optimale lichaamsstrekking
tijdens de plantbeweging is dan slechts mogelijk wanneer men een
polsstokgreep heeft gelijk aan schouderbreedte. Deze
greepbreedte laat de springer toe de polsstok doelmatig in
evenwicht te dragen tijdens de aanloop. De rechterhand mag niet
onnodig heen en weer, voor en achter de heup balanceren en
zodanig het hoog dragen van de polsstok tegenwerkt. (rechterhand
rond de taillelijn) (zie foto 2 Robert-Jan Janssen)
Door op deze manier de polsstok te dragen
kan men het bovenlichaam optimaal positioneren zoals dat van een
sprinter.
Hij raadt ook aan de polsstok bij de start
in een hoek van 70° te houden (fig.
1) en hem tijdens de aanloop lichtjes te laten zakken.

fig. 1
Sommige trainers zijn tijdens het dragen
van de polsstok voorstander voor een bredere greep dan
schouderbreedte. Voorstanders van deze theorie beweren dat men
de polsstok dan beter kan dragen, zeker wanneer het zwaardere
en langere polsstokken betreft. Dezelfde voorstanders beweren
dat dit de positionering van de linkerarm (namelijk het
uitdrukken van de linkerarm tijdens het planten...)
bewerkstelligt en een mechanisch voordeel biedt, noodzakelijk
voor het buigen van de polsstok!
Niets is minder waar!
Met een behoorlijk uitgevoerde
plantbeweging (beide armen gestrekt, opwaarts gericht,
linkerhand boven het hoofd!) en afzet, is het de snelheid en het
voorwaarts indringen via stabiliteit van het bovenlichaam
(schouders, ...) van de springer, welke de polsstok doet buigen.
Trainers mogen niet de nadruk leggen op het
gebruik van de linkerarm om een polsstok te buigen. Er zijn
zelfs coaches die vragen om gelijktijdig op de rechterarm te
trekken. Dit is de grootste fout welke een springer kan maken.
We moeten onthouden dat met een bredere
greep en met het vasthouden van een gestrekte linkerarm na de
afzet, dat dit resulteert in een “blokkeren” van een beweging
van de schouders en borst in voorwaartse richting en de slinger
van de pendelbeweging vertraagt.
Gevolg, de heupen zullen onmiddellijk
inzwaaien. Dit moet zeker ten alle tijden vermeden worden.

Foto 2:
Robert Jan Janssen: rechterhand ter hoogte van de taillelijn
TECHNIEKEN voor het dragen van de
polsstok: zie fig. 1 en 2

fig. 2
-
Vermijd een voor- en achterwaartse beweging van de
polsstok tijdens de aanloop.
-
De afstand tussen de beide handen is nooit groter
dan schouderbreedte.
-
Hoe hoger de greephoogte, des te hoger het
polsstokuiteinde moet gedragen worden tijdens de aanloop.
Greephoogten boven de 4.60m moeten haast vertikaal gedragen
worden. Greephoogten lager dan 3.80m
draagt men bijna
horizontaal.
-
Hoe hoger het dragen van de polsstok, des te
vroeger men de polsstok zal moeten laten zakken.
-
Het te laat laten zakken van de polsstok heeft een
te late plantbeweging tot gevolg.
-
Beide ellebogen zijn ongeveer 90° gebogen tijdens
het dragen.
-
De bovenste hand bevindt zich juist naast de
rechterheup totdat “de plant” begint. (foto 2: Robert-Jan Janssen...)
-
Handen houden de polsstok op een ontspannen wijze
vast waarbij de onderste hand de duim onder de polsstok
gehouden
wordt als een steunpunt.
-
Linkerelleboog laag tegen de heupkam in functie
van een ontspannen linkerschouder.
-
Schouders en heupen recht ten opzichte van de
insteekbak.
-
De polsstokdop in het verticale vlak van de
schouders tijdens de gehele aanloop.
wordt vervolgd...
|