Het
samengestelde "raamplan polsstokspringen" zal een
hulp zijn voor de gespecialiseerde clubtrainers om jonge,
getalenteerde atleten volgens "de regels van de
polsstokkunst" naar topprestaties te begeleiden. Het
bevat in de eerste plaats ervaringen en nieuwe ontwikkelingen
op trainingsgebied die ik gedurende een jarenlange praktijk
gebundeld heb. Het raamplan heeft niet alleen betrekking op
het "hoe" bij een jongerentraining maar ook op het
"waarom, hoeveel en wanneer"!
1. Waarom een raamplan
polsstokspringen?
Sinds enkele jaren is het
duidelijk dat de jeugdprospectie op polsstokgebied te stroef
verloopt. Ondanks dit euvel hebben jeugdige springers de
voorbije jaren toch zeer goed gepresteerd op internationaal
vlak. Doch de ontwikkeling in de breedte in het buitenland
gebeurt op een dynamischer manier dan in ons land. De
verantwoordelijke KNAU-trainers zijn er in dit opzicht van
overtuigd dat een gemis aan jongerenbegeleiding hiervoor de
oorzaak is. De oorzaken van deze tekorten zijn op allerlei
vlakken te zoeken. Onze opgave is dan ook er voor te zorgen
dat de kennis in verband met de nieuwste polsstoktechnieken
ook in de dagelijkse praktijk omgezet kan worden. Mij bewust
zijnde dat dit idee in het verleden niet altijd uitgevoerd kon
worden, zal dit "raamplan" een aanzet zijn om tot
een duidelijke verbetering te komen. Ik zal niet alleen de
problematiek van het polsstokspringen beroeren maar zal ook
trachten een aantal oplossingen aan te bieden. Wanneer, door
middel van dit plan in de praktijk zal uitwijzen dat er ook op
andere vlakken verbeteringen nodig zijn om verdere aansluiting
te krijgen bij de wereldtop, dan zal ik dat ook beogen.
(indeling jeugdreeksen, verandering van wedstrijdstructuren,
kadervorming enz.)
1.2 Fouten in de praktijk bij
de huidige jongerenopleiding.
Een analyse op dit vlak bij
zowel jongere als oudere polsstokspringers toont aan dat zowel
met betrekking tot de trainingsomvang alsook met betrekking
tot de kwaliteit van de training, er heel wat tekorten
bestaan.
1.2.1 Minpunt nummer 1 : te
geringe trainingsomvang.
De trainingsomvang op
topniveau kan alleen maar gerealiseerd worden door die atleten
die tijdens hun opbouw en tijdens hun jeugd hogere
trainingsbelastingen aankunnen. Met een blik op de praktijk
stel ik vast dat dit zowel voor een microcyclus geldt als voor
een macrojaarplanning.
1.2.1.1 In de microcyclus.
Een rondvraag bij 14 tot 16
jarige atleten leerde ons dat zij in doorsnee 3 maal per week
trainen. Op navraag wat deze atleten op die trainingen aan
inhoud uitvoerden, kwamen we tot een volgende conclusie.
Inhouden en oefenstof, noodzakelijk en onontbeerlijk voor een
goede specifieke trainingsopbouw, werden niet aangesproken;
(vormspanningsoefeningen, rekken en stretchen, voetgymnastiek,
ritmescholing....)
1.2.1.2 In een macrocyclus.
Verlof en vakantieperioden en
andere traditionele geplogenheden zijn immer de oorzaak dat
van de beschikbare 52 weken per jaar er maar een minimaal
aantal microcycli benut worden. De indoortrainingen beginnen
half november, kort daarna is er reeds de Kerst- en
Nieuwjaarsperiode met zijn feesten en een jaarlijks
wederkerend skiverlof. Na de indoor wedstrijdperiode staat het
Paasverlof reeds voor de deur. Gezien de niet standvastige
klimatologische omstandigheden in ons land gedurende de zomer
competitieperiode onderbreekt men zijn wedstrijdseizoen voor
een jaarlijks terugkerende vakantieperiode. Hierdoor vinden we
in de trainingsopbouw van een polsstokspringer gedurende zijn
jaarcyclus zeker een aantal gaten terug. Indien men in een
macrocyclus constructief zijn "kunnen" wil
uitbouwen, moet een polsstokspringer minstens 45 weken per
jaar actief bezig zijn met zijn discipline. Toch wordt er
immer vastgesteld dat "TALENTEN" zonder echte
trainingsopbouw in hun leeftijdscategorie zeer goede
prestaties leveren. Men kan zich dan de vraag stellen of
"goede" prestaties mogelijk zijn zonder veel
inspanningen te leveren? Zeker niet, wanneer we werkelijk de
maatstaf aanhouden die geldig is voor het leveren van
uitstekende topprestaties. Een analyse bij topatleten toont
duidelijk aan dat nu nog maar alleen topprestaties geleverd
kunnen worden indien men de trainingsomvang bij de jeugdopbouw
aanzienlijk opschroeft. De weg naar de wereldtop is alleen
maar te bereiken via deze inspanningen.
1.2.2 Minpunt nummer 2 : de
slechte trainingskwaliteit.
Naast de vaststelling dat er
te weinig getraind wordt zijn er wat de kwaliteit van een
training betreft, ook tekorten. Terwijl te weinig training het
prestatieniveau op latere leeftijd zal beperken, is een slecht
opgebouwde training ook nog gevaarlijk wat de gezondheid
betreft. Een slechte belastingsintensiteit kan in het ergste
geval tot blessures leiden.
1.2.2.1 Verkeerde inhoud.
Wie kent er niet het
voorbeeld van de onervaren trainer van een jeugdige springer
die zijn atleet dieptesprongen of éénbenige hinksprongen
over horden laat uitvoeren. Alleen omdat deze trainer ergens
gehoord of gelezen heeft dat deze sprongvormen de
"beste" en de meest "effectieve" manieren
zijn om trainingsresultaat te bekomen. De grootste problemen
ontstaan natuurlijk door dergelijke praktijken bij jonge
polsstokspringers. Vele medische en orthopedische kwalen
vinden niet hun oorzaak door te veel of te weinig te trainen
maar door een slechte, onaangepaste keuze van oefenstof voor
deze jeugdige atleten.
1.2.2.2 Een fantasieloos
oefeningenaanbod.
Datzelfde voorbeeld is ook
van toepassing bij het fantasieloze aanbod aan trainingsvormen
en dit op allerlei vlak. Men draait zich gewoon een rad voor
de ogen dat men omwille van tijdsgebrek een aantal
standaardoefeningen laat uitvoeren, met dewelke men immer in
het verleden resultaat heeft gehad. De echte oorzaak is dat
men niet beter weet of kan! Juist de atletiek bevordert, mede
dank zij de eenvoudige basisstructuren van zijn bewegingen,
creativiteit bij de uitvoeringen van zijn oefenvormen. Eén en
dezelfde basisbeweging kan in allerlei richtingen
gedifferentieerd worden, zodanig dat het trainingseffect niet
na meerdere sessies in rook zal opgaan door een stereotype
uitvoeringswijze.
1.2.2.3 Onvoldoende kritische
blik en... gebrek aan verbeteringen.
Een optimaal trainingseffect
verkrijgt men niet alleen door een juiste keuze aan oefenstof
en methoden maar een trainer moet voortdurend de nadruk leggen
op correcte uitvoeringsmodaliteiten en zodanig met een
kritisch oog verbeteringen aanbrengen zodat hij tot een
effectvol trainingsresultaat kan komen.
1.2.3 Minpunt nummer 3 : de
doelloosheid van de training.
Dit derde probleem mag zeker
niet over het hoofd worden gezien. Vele jonge springers komen
niet naar een training om te trainen maar wel om tezamen met
wat vrienden een deel van zijn vrije tijd door te brengen.
Meningsverschillen tussen atleten en trainers zijn voor een
groot deel terug te brengen naar het boven vermeld probleem.
Vele atleten nemen hun training niet met ernst en dit gaat ten
koste van de kwaliteit van de training. Uitzonderlijk komen
atleten nog om de sport naar een vereniging maar veelal als
een vorm van vrije tijdsbesteding, het maken van vrienden en
het zoeken van sociale contacten. Om ontgoochelingen,
frustraties en zware discussies tussen trainer en atleet en
dikwijls ook met ouders te vermijden zal de springer op een
bepaald tijdstip van zijn sportloopbaan toch een keuze moeten
maken of hij nu voor of tegen prestatiesport is! Uiteraard een
gedwongen keuze om terug een harmonie te vinden tussen een
inspanning en het doel en het resultaat van een training.
1.2.4
"Veelzijdigheid" en "Meerkamptraining".
Een diepgaand probleem
verschuilt zich achter de uitdrukkingen
"veelzijdigheid", "meerkampgericht" en
"vroegtijdige specialisatie". Na jarenlange
discussies tussen theoretici en practici bestaan er op dit
vlak nog altijd duidelijk misverstanden. Voor een
begripsverklaring van deze uitdrukkingen een beetje uitleg. ·
Een "meerkampgerichte" training is zeker niet met 3
trainingseenheden per week uit te voeren. Mede door een gebrek
aan trainingseenheden per week traint men
"éénzijdigheid" in plaats van de
"veelzijdigheid" van een meerkamp na te streven. ·
"Vroegtijdige specialisatie" is niet het voorbeeld
van een trainer die een 13-14 jarige atleet als een
springtalent inschat. Integendeel, alleen wanneer men klare
doelstellingen voor ogen houdt en met een goede planning
werkt, is het mogelijk om in de opbouwperiode bij de jeugd te
streven naar een verdere langdurige, efficiënte en bredere
ontwikkeling van de basisvaardigheden. ·
"Veelzijdigheid" tijdens een opbouwperiode wil
derhalve zeggen dat die vaardigheden en bekwaamheden
veelzijdig ontwikkeld dienen te worden die een
polsstokspringer nodig heeft tot het leveren van topprestaties
op latere leeftijd. Als bondscoach bij de KNAU ben ik van
mening dat duidelijke, afgebakende doelstellingen er toe
bijdragen tot een succesvolle sturing van een aantal
trainingsprocessen. Dit alles door middel van
basisvaardigheden die reeds aangeleerd moeten worden bij de
jeugdopbouw. Natuurlijk kunnen deze duidelijke doelstellingen
dan slechts met enige kans op succes afgebakend worden wanneer
voldoende ervaringen ten aanzien van de
"uitvoerbaarheid" van de vooropgestelde doelen voor
handen zijn. Dit raamplan is opgesteld op basis van een
verzameling van praktijkervaringen.
1.3 Oorzaken van deze
tekorten.
Om een te omvangrijke
stelling name wat dit punt betreft te vermijden, ben ik zo
vrij zelf beknopt een aantal oorzaken voorop te stellen. De
"vrije tijdsatletiek" zit aan zijn maximum wat zijn
prestatiegrens betreft:
- District- en clubtrainers kunnen geen semi-professionele
arbeid verrichten.
- Bekrompenheid, kortzichtigheid en behoudsgezindheid van
trainers.
- Vrijetijdsgerichte atleten hebben niet de instelling, die
noodzakelijk is om topsport te bedrijven.
- Teloorgang van de schoolatletiek.
- Verschuiving van de inhoud van vele spelen en andere "life-time"
sporten.
- Vervreemding van leerkrachten als potentiële medewerkers
van verenigingen.
- Een zwakke infrastructuur van de verenigingen.
- Afbouwen van de jeugdcommissie bij de KNAU.
- Financiële gebreken of tekorten.
- Gebrek aan medewerkers van allerlei aard.
- Crisis op het vlak van de sportwetenschap.
- Gebrek aan uitwisseling van de sportwetenschappen
onderling.
- Gebrek aan praktijkervaring.
- Gebrek aan bereidheid tot samenwerking.
1.4 Er is nog veel werk!
Het spreekt voor zichzelf dat
indien we binding willen houden met de internationale
polsstokontwikkelingen in het buitenland, wij een oplossing
zullen moeten vinden voor een deel van deze problemen. Heel
wat van de opgenoemde problemen hebben reeds vaste en vrij
diepe wortels.
1.4.1 Verbetering van een
vakkundige basiskennis.
De bijdrage, welke een
trainer nodig heeft om te kunnen presteren in de atletiek,
ligt zeker in de eerste plaats in het verbeteren van de
basiskennis van het polsstokspringen. Dit is de bedoeling van
dit raamplan. Bij alle verbeteringen die mogelijk zijn in deze
eerste versie, zal dit raamplan toch een eerste stap zijn in
de goede richting.
1.4.2 Verbetering van de
organisatorische basis.
Grotere, inhoudelijke eisen
op het vlak van trainingsmogelijkheden wat betreft
jeugdwerking en opbouwtrainingen, vereisen ook betere
organisatorische faciliteiten. De trainer die jongere atleten
wil begeleiden heeft daarvoor een betere opleiding en betere
werkomstandigheden nodig in zijn vereniging of in zijn
district. Een zeer goede en degelijke jeugdopleiding zal in de
toekomst alleen maar door semi-professionele of gediplomeerde
trainers verricht kunnen worden. De vraag stelt zich echter:
"wie betaald ze en wie stelt ze aan?" Men kan zich
ook de vraag stellen vanwaar de atleten komen die ze zullen
begeleiden.
1.4.3 Samenwerking van de
trainers onderling.
Trainers moeten leren denken
vanuit een ander perspectief. Het gaat tenslotte om de
loopbaan van een atleet en niet om die van een trainer.
Aanwijzingen krijgen van een andere trainer wil daarom nog
niet zeggen dat men atleten aan het ronselen is. Juist
hierdoor kan een atleet soms een andere prikkel krijgen
zodanig dat door een ander "woordgebruik" een
bepaald technisch aspect nu wel begrepen wordt.
Ruimdenkendheid is een mooie troef en een stap voorwaarts in
de samenwerking in functie van de ontwikkeling van de atleet.
2. DOEL EN INHOUD VAN HET
RAAMPLAN "POLSSTOKSPRINGEN".
2.1 Het doel van het raamplan
"polsstokspringen".
Het uiteindelijke doel van
een opbouwtraining en tevens van dit raamplan is het
voorbereiden van jeugdige atleten op het uitvoeren van
hoogwaardige en intensieve trainingen wat nodig is voor het
leveren van huidige topprestaties. Hieronder volgt een korte
motivatie. We moeten er echter van overtuigd zijn dat in de
huidige praktijk deze doelstellingen niet bewust worden
nagestreefd. Ook niet in de verenigingen die reeds geruime
tijd met jeugdopbouw bezig zijn. In tegendeel, telkens vind ik
dezelfde problemen terug. Trainingsomvang en
trainingskwaliteit blijven hoofdzakelijke tekorten om de
vooropgestelde hoogwaardige doelstellingen te bereiken!
Trainers zijn hiervan meestal de oorzaak.
Uitgaande van deze tekorten
mogen we deze uiteindelijke doeleinden door middel van dit
trainingsplan vastleggen:
· VERHOGING VAN DE TRAININGSOMVANG
· VERBETERING VAN DE TRAININGSKWALITEIT
Wat de verhoging van de trainingsomvang betreft, kunnen
onderstaande voorstellen een houvast bieden.
2.1.1 Vermeerdering van het
aantal trainingseenheden per week.
De hieronder afgebeelde
grafiek geeft een duidelijk overzicht hoe men grondprincipes
en de opbouwtraining in een microcyclus moet verwerken. Het
betreft het aantal trainingseenheden per week. (TE/WEEK)

Afb. 1 Vermeerdering van de
trainingsomvang bij een microcyclus en per leeftijdsjaar.
Deze grafiek is slechts een
gemiddelde weergave na een analyse bij de naburig omliggende
landen. Het staat echter als een paal boven water dat de
vooropgestelde doelen niet te bereiken zijn met minder
trainingsomvang.
2.1.2 Verbetering van de
trainingsbelasting tijdens een jaarperiode.
Wanneer het trainingsproces
enerzijds weinig blessurerisico inhoudt en er anderzijds een
continu leerproces kan plaatsvinden, dan pas is het mogelijk
om langzaam de trainingsbelasting te verhogen. Dit mag zeker
niet abrupt opgeschroefd worden. De volgende grafiek geeft
duidelijk schematisch de huidige toestand weer en de wens hoe
een jaarbelasting in werkelijkheid er zou moeten uitzien. Uit
deze grafiek kunnen we afleiden dat te grote
belastingsverschillen vermeden moeten worden terwijl de totale
trainingsbelasting tijdens een jaarperiodisering moet
toenemen.

Afb. 2 verloop van een
trainingsbelasting gedurende een jaar.
2.1.3 Een na te streven
ontwerp voor een "dubbel periodisering"
Overal klaagt men over gebrek
aan trainingsmogelijkheden gedurende een winterperiode. De
laatste jaren is hier echter heel wat verandering in gekomen.
Ook de wedstrijdmogelijkheden tijdens een winterperiode zijn
toegenomen. Dit laatste, in onze buurlanden maar ook in ons
eigen land is er voorwaar een hele vooruitgang. Het argument
van "onvoldoende faciliteiten" mag dan ook niet meer
als een excuus ingeroepen worden voor het minder presteren in
vergelijking met de concurrentie. Deze verbeterde
omstandigheden vormen maar een noodzakelijke achtergrond voor
een broodnodige verbetering die men veeleer verkrijgt via een
dubbelperiodisering per jaar. Dubbelperiodisering is in feite
de begeleiding via een voorbereidingperiode tot aan de
wedstrijdperiode die zich twee maal voordoet gedurende de
tijdspanne van een jaar. Voor een dubbelperiodisering als
trainingsschema moet men tewerk gaan via de volgende
beginselen: (zie afbeelding 3 )
1. We merken vaak op dat jongere atleten reeds bereid zijn de
prestatiedruk te ontwikkelen tot aan het indoorseizoen. Een
consequente in totaal 15 weken durende voorbereiding schijnt
reeds toereikend te zijn voor een duidelijke vooruitgang. In
het bijzonder van de algemene en specifieke conditionele
eigenschappen.
2. Een twee maal per jaar herhaald ontwikkelingsproces van
algemene tot specifieke, van eenvoudige tot ingewikkelde
vaardigheden maar toch correct uitgevoerd, maakt het mogelijk
dat onze springers sneller tot betere resultaten komen en vrij
vlug hoger gaan springen. Weliswaar leert de ervaring mij dat
een overgang naar een tweede voorbereidingsperiode tijdens een
dubbelperiodisering dikwijls niet consequent genoeg
verloopt:
1. De bezettingsuren van de hal worden in principe einde van
de maand maart, midden april verandert. Daardoor vallen
dikwijls heel wat mogelijkheden weg om het toestellen aanbod
van deze beschikbare hallen voor een veelzijdige doelgerichte
voorbereiding, verder te benutten.
2. Het gebruik van een indooraccomodatie heeft als nadeel dat
men dikwijls te vroeg oefenstof aanbiedt die normaliter pas in
het voorseizoen buiten worden aangeboden met het gevaar voor
blessures.
3. De betere weersomstandigheden verleidt de springer sneller
tot meer specifieke, wedstrijdgerichte oefenvormen die men
echter alleen op een atletiekterrein kan uitvoeren.
4. De traditionele wedstrijdkalender vangt aan midden, eind
april. Deze eerste wedstrijden vormen uiteindelijk de in
praktijk belangrijkste afleiding van een zinvolle
trainingsvorming. In plaats van in deze periode conditioneel
werk en coördinatieve voorbereidingsoefeningen te vervullen,
worden echter de eerste wedstrijden voorbereid.
| Maand |
Week |
Periode |
| Oktober |
40 |
|
| |
41 |
ALGEMENE
VOORBEREIDING I |
| |
42 |
|
| |
43 |
AV
I |
| |
44 |
|
| November |
45 |
|
| |
46 |
|
| |
47 |
|
| |
48 |
SPECIFIEKE
VOORBEREIDING I |
| December |
49 |
|
| |
50 |
SV
I |
| |
51 |
|
| |
52 |
|
| Januari |
1 |
|
| |
2 |
TECHNIEKCYCLUS
I |
| |
3 |
TC
I |
| |
4 |
|
| Februari |
5 |
|
| |
6 |
INDOOR
WEDSTRIJDPERIODE I |
| |
7 |
WP
I |
| |
8 |
|
| Maart |
9 |
|
| |
10 |
ALGEMENE
VOORBEREIDING II |
| |
11 |
|
| |
12 |
AV
II |
| April |
13 |
|
| |
14 |
|
| |
15 |
|
| |
16 |
|
| |
17 |
|
| Mei |
18 |
|
| |
19 |
SPECIFIEKE
VOORBEREIDING II |
| |
20 |
|
| |
21 |
SV
II |
| |
22 |
|
| |
23 |
|
| Juni |
24 |
TECHNIEKCYCLUS
II |
| |
25 |
|
| |
26 |
TC
II |
| |
27 |
|
| Juli |
28 |
|
| |
29 |
|
| |
30 |
|
| |
31 |
OUTDOOR
WEDSTRIJDPERIODE II |
| Augustus |
32 |
|
| |
33 |
WP
II |
| |
34 |
|
| |
35 |
|
| September |
36 |
|
| |
37 |
|
| |
38 |
OVERGANGSPERIODE
- RUST |
| Oktober |
39 |
|
Afb. 3 : dubbel
geperiodiseerd
jaarschema voor het springen.
3. ALGEMENE, CONDITIONELE
VOORWAARDEN.
3.1 Kracht, beweeglijkheid,
uithouding...de drie kanten van een medaille!
De voorbije jaren is de
kennis op het vlak van krachttraining, uithouding en
beweeglijkheid in zijn ruimste zin, sterk toegenomen.
Duidelijk bewijs is de toename van de jogging-, fitness-, en
dancerage. Vaak is bij de springnummers in de atletiek deze
conditionele voorwaarden, als een samenhangend geheel, over
het hoofd gezien. Alleen dan als kracht goed opgebouwd wordt,
rekening houdend met gewrichten, gewrichtshoeken, agonisten en
antagonisten, excentrisch en concentrisch werk, evenals het
correct beheersen van de bewegingen, dan pas zullen deze
algemene conditionele voorwaarden omgezet kunnen worden in
specifieke topprestaties. In het verleden werd bij de
"springnummers" wel eens te veel het accent gelegd
op de factor "kracht"! niet alleen omdat men van
mening was dat kracht zo gemakkelijk te trainen was maar ook
omdat men dacht dat men door deze vorm van training veel
sneller hoger zou springen. Kracht was als trainingsvorm ook
heel snel meetbaar. Let echter wel op, snelheid en
coördinatie mogen ook niet vergeten worden!
WELKE FOUTEN RESULTEREN NU
UIT DEZE DENKWIJZE?
1. Wanneer een spier dikker
wordt, wordt ze gelijktijdig korter. Dus om de beweeglijkheid
van deze spier te behouden moet men naast de krachttraining
ook de beweeglijkheid onderhouden. Dit wordt regelmatig
vergeten.
2. Wegens het verkorten van bijvoorbeeld de
iliopsoas en de quadriceps ter hoogte van de bekkengordel en
tevens het verkorten van de kuitmusculatuur, wordt het
looptechnisch vermogen veel slechter. De totale
bewegingsamplitude wordt door deze verkorte spieren voor een
groot deel beknot.
3. Ingevolge het verkeerd gebruiken van
trainingsmethoden worden de spieren veel dikker (ook de
trainingsbelasting en daarbij ook de belastingsintensiteit)
maar de krachtontwikkeling bij een afzet blijft ondanks
dezelfde. Dit om de eenvoudige reden dat de
spierspanningkarakteristieken van de aangewende oefeningen
weinig gemeen hebben met de vereisten van een afzet. Het enige
wat zich veranderd heeft en dan nog in het nadeel van de
springer, is dat zijn lichaamsgewicht is toegenomen.
4.
Dikwijls worden de oefeningen of verkeerd of éénzijdig
gebruikt. Dit is trouwens ook de oorzaak dat men de verkeerde
spieren traint. Bijvoorbeeld: terwijl men bij het kniebuigen
vooral de strekkracht van de knie vergroot, blijft de
ontwikkeling van de andere spiergroepen die ook in actie
treden bij een afzet, achter. Denken we vooral aan de
strekkers van de voet, de heupen (voornamelijk de gluteus) en
het bovenlichaam (buik- en rugmusculatuur). Gevolg, geen
prestatieverbetering en kans op blessures. Trouwens, alle
spieren noodzakelijk voor een bepaalde beweging verhouden zich
als schakels in een ketting. Met andere woorden, of de
krachtontwikkeling richt zich op de zwakste schakel of de
betrokken spieren begeven het en scheuren.
5. Minstens even
dikwijls wordt de tegenovergestelde fout gemaakt: men past
helemaal geen krachttraining toe! Na zeer goede prestaties op
een leeftijd van 13-14 jaar stagneren de vorderingen bij deze
jeugdige atleten. Hierdoor ontstaat weer het gevaar dat ze
vroegtijdig gaan afhaken.
Besluit: Voor een groot deel
van onze trainers, voor wat betreft de algemene conditionele
voorbereiding van jeugdige polsstokspringers, er een andere
opvatting op na zullen moeten houden. Ja, zelfs opnieuw zullen
moeten starten met andere basisprincipes.
4. MEERJAREN TRAININGSPLAN
VOOR POLSSTOKSPRINGERS
Op basis van dit raamplan heb
ik analoog met andere polsstokscholen en uit eigen
praktijkervaring, een meerjaren trainingsplan uitgestippeld.
Dit is te gebruiken als een leidraad voor het opleiden van
nieuwe polsstoktalenten. Het is onze taak als trainers om
"samen" het polsstokspringen op een nog hoger niveau
te tillen. Wereldrecords zijn heden van een zo hoog niveau,
dat zelfs getalenteerde mensen vele jaren moeten trainen om in
de buurt te komen van zulk een prestatie. Op basis van deze
vaststelling is het gebruik van een vooropgesteld meerjarig
trainingssysteem een van de hoofdfactoren om dat hoge
prestatieniveau te kunnen bereiken. Deze trainingen van
beginner tot topatleet stellen een algeheel vormend proces
voor waarbij zowel fysieke eigenschappen als psychische
eigenschappen als motoriek moet worden ontwikkeld.
De sportieve ontwikkeling
verloopt over meerdere leeftijdsgroepen. De inhoud en de
structuur zijn natuurlijk gekoppeld aan de leeftijdsgebonden
veranderingen en de logica van de sportieve vervolmaking.
In de vorm van een schema
volgen we de stappen van een meerjarenplan met telkens zijn
specifieke bijzonderheden: - hoofdstuk van de grondbeginselen
en de sportieve voorbereiding - hoofdstuk voor specialisatie
bij beginners - hoofdstuk voor verdere specialisering -
hoofdstuk over vervolmaking De leeftijdsgrenzen tussen al deze
hoofdstukken hangen sterk af van de specificiteit van de
sportdiscipline en de individuele karakteristieken van een
atleet.
Polsstokspringen onderscheidt
zich uitdrukkelijk van de andere disciplines door het feit dat
het met een bewegend element wordt uitgevoerd: de polsstok!
Deze ingewikkelde springtechniek vereist van de atleten een
bijzondere voorbereiding. Hij moet snel kunnen lopen met de
stok, krachtig kunnen afzetten, over een bijzondere lenige
schoudergordel beschikken en tenslotte lef, durf en
gymnastisch vermogen hebben. Springen met een elastische stok
vereist een goed ritmisch gevoel. Tevens moet de springer over
een goede coördinatie beschikken tussen de energietoevoer,
welke de springer in de polsstok oplaad en het terugwinnen en
benutten van deze krachten, via het strekken van de polsstok.
Een fijne motoriek is noodzakelijk om de lat te overschrijden
zonder dat de springer deze ondertussen heeft gezien voordat
hij de lat heeft overschreden!
Training en wedstrijden
polsstokspringen duren gemiddeld meerdere uren. Om
topprestaties te kunnen leveren vereist dit van de atleet ook
heel wat mentale kracht omdat de springer, zoals bij het
hoogspringen, tot op de centimeter exact weet welke de hoogte
is die overwonnen moet worden. Om topprestaties te kunnen
laten lukken moet de atleet in de mogelijkheid zijn de
trainingen te analyseren alsook de theorie van het
polsstokspringen te verstaan en te begrijpen. Zoals bekend
vereisen succesvolle techniektrainingen een toereikende
regeneratie en "frisheid" van het zenuwstelsel. De
vooropgestelde tabellen tonen aan dat bij de beste
polsstokspringers er geen enkele zit die bij zijn
trainingsaanvang ouder was dan 12 jaar. Op deze leeftijd
hadden alle toppers reeds 2 tot 3 jaar voorbereidende
trainingsarbeid doorlopen. Daarom wordt 12 jaar als een ideale
beginnerleeftijd ingeschat. De polsstoktechniek hangt in grote
mate af van het bewegingspotentieel van elke sporter
afzonderlijk. Er worden vier vlakken in de fysieke
voorbereiding aangesproken: snelheid, kracht, sprongkracht en
gymnastiek.
Een wetenschappelijke analyse
laat het volgende vermoeden:
1. Vele polsstokspringers
focussen zich alleen maar op de finesses van de
sprongtechniek, willen een snelheidsniveau van 10m/s bereiken,
90 tot 100% van hun lichaamsgewicht in de krachttraining
aankunnen, 6.50m ver kunnen springen en 9m met een driesprong
uit stand kunnen bereiken. Dit kunnen is voor hen
prestatiebepalend om hogere wedstrijdhoogtes aan te kunnen. In
feite zullen alleen die springers een internationaal niveau
behalen die een ononderbroken vooruitgang van hun
bewegingsarsenaal nastreven.
2. Voor de ontwikkeling van
het bewegingspotentieel speelt de ontwikkeling van de
specifieke krachteigenschappen een belangrijke rol. Deze
dragen tevens ook bij tot de ontwikkeling van de
springsnelheid en het springvermogen. Polsstokspringen
onderscheidt zich van de andere sprongdisciplines door de
krachtontwikkeling in de schouders en armen.
3. De prestatieontwikkeling
bij het polsstokspringen hangt af of het lukt om het tempo van
de ontwikkelingen van de specifieke vaardigheden op alle
vlakken, bij te houden welke men tijdens een meerjarenplan
tegenkomt.
1. BASISTRAINING VOOR DE
LEEFTIJDSGROEP VAN 8, 9-11, 12 JAAR
Dit hoofdstuk kenmerkt zich
door de activering van de lichamelijke ontwikkeling bij
kinderen. Na het 8ste levensjaar begint lichamelijk (het
organisme) bij een kind, zijn groei naar volwassenheid aan te
vangen. Met 8 tot 10 jaar begint de spierontwikkeling.
Bewegingsdrang neemt toe en spiertonus en contractiesnelheid
verhoogt. Spierkracht is echter in zijn algemeenheid nog maar
vrij gering aanwezig. Het hart blijft in zijn ontwikkeling een
beetje achter ten opzichte van de lichamelijke ontwikkeling.
De ademfrequentie neemt af en de vitale capaciteit neemt toe.
De geestelijke activiteit verhoogt, het analytische denken
ontwikkelt zich. Het is een gunstige tijd om met sport te
beginnen.
De belangrijkste stappen op
deze leeftijd zijn de volgende:
1. veelzijdige lichamelijke
ontwikkeling van het kind met als dominante, het ontwikkelen
van de bewegingscoördinatie en behendigheid.
2. ontwikkeling van bewegingstempo
3. verwerven en aanleren van basisprincipes van de
verscheidene atletiekdisciplines.
Als trainingsmethoden kan men
de oefeningen in drie groepen indelen:
A. Atletiekoefeningen -
lopen, springen, werpen (sprinten, ver- en hoogspringen,
sprongetjes met een polsstok in de verspringbak, van een
verhoging afspringen met een polsstok, hordelopen, werpen en
vangen van ballen en estafetteloopjes.)
B. Gymnastische voorbereiding (turnen, algemeen ontwikkelende
oefeningen, touwklimmen, trampolinespringen...)
C. Oefeningen uit andere sporten. (sport-spelspelen, zwemmen,
schaatsen enz...)
Trainingsspecifiek zal de
trainingsomvang van een jonge polsstokspringer in het begin
voor een groot deel bestaan uit turnen en tumbling. In totaal
ongeveer 30% van alle trainingsomvang. Eenvoudige
gymoefeningen zoals hangen, zwaaien en steunen. Verder
tumbling bestaande uit rollen, draaien, handenstanden en
trampolinespringen. Via deze basis kan men de polsstoktechniek
sneller aanleren. Op een leeftijd van 12 tot 13 jaar moet men
het volgende beheersen:
1. zwaaien en slingeren aan het rek en
de ringen.
2. radslag en arabier
3. rugwaarts rollen en uitstutten tot handenstand
4. uit aanloop een salto voorwaarts, landen op een zachte
mat.
5. rek op borsthoogte, borstwaarts om. (afstoten r.been en
opzwaaien l.been)
6. rek op borsthoogte, kip tot streksteun.
7. minstens 10 maal optrekken in hang aan hoge rek.
8. vouwhang aan het rek: minstens 12 maal inrollen met
gestrekte benen, voeten tegen het rek en uitstrekken tot de
knieën de handen raken.
9. minstens 2m. touwklimmen zonder gebruik te maken van de
benen.
10. uit een 3-4 pas aanloop naar het touw springen tot hang.
Gymnastische en acrobatische
oefeningen zijn voor kinderen de eenvoudigste vorm om snel
vertrouwd te geraken met bewegingen. Deze oefeningen zijn een
ideale basis voor zowel de psychische alsook de technische
vervolmaking van een jonge polsstokspringer. Hoofdaccent bij
deze gymtraining is niet de omvang maar de kwaliteit van de
bewegingsuitvoering. Van daaruit kan men dan later moeilijkere
bewegingselementen en een aaneenschakeling van bewegingen,
makkelijker aanleren.
Krachtontwikkeling
In het begin bestaat deze
vaardigheid uit een zo groot mogelijk gamma van algemeen
ontwikkelende oefeningen waarbij slechts eigen lichaamsgewicht
gebruikt wordt. Grotere gewichten op deze leeftijd zijn zeker
te vermijden. Lasten van maximaal 5kg. ( medicinbal en
halterschijven ) zijn toelaatbaar. Met deze belastingen zullen
hoogstens 10 tot 15 herhalingen per set uitgevoerd worden.
Spelvormen met een medicinbal, lopen en springen in het zand
zijn op deze leeftijd ideale trainingsmethoden. Trappenlopen,
loopsprongen, sprongetjes over hindernissen, oefeningen aan
gymbanken verhogen de krachtontwikkeling op een adequate
manier. Klimmen in bomen is voor de ontwikkeling van een jonge
polsstokspringer een waardevolle oefening. Voor deze
leeftijdsgroep is het zeer belangrijk kracht te ontwikkelen in
relatie met de lichaamsbeheersing.
Looptraining
Looptraining bestaat in
hoofdzaak uit een herhaling van korte afstanden zoals 30 en
60m evenals 80, 100m en langer. Loopjes in spelvorm en in
estafettevorm moet men eveneens aanbieden. Snel, ontspannen en
technisch lopen is zeer belangrijk om zo snel mogelijk een
correcte techniek aan te leren. Belangrijk tijdens dit
leerproces zijn oefeningen, waarbij de bewegingssnelheid van
het sprinten, die op deze leeftijd (11-12 jaar) positief
bijdragen tot de ontwikkeling van de bewegingsfrequentie en de
loopsnelheid, te gebruiken. Hiervoor gebruiken we specifieke
oefeningen zoals snelle armbewegingen in stand, lopen over een
beperkte afstand in een zo hoog mogelijke pasfrequentie,
loopbewegingen in de lucht steunend op de armen in een brug
gelijke leggers enz. Omvang: 3/4x10-12 herhalingen voor elke
oefening. Onmisbaar is het lopen over lage horden waarbij de
afstanden tussen de horden variëren. Bij de loopscholing voor
een polsstokspringer moet er veel aandacht besteed worden aan
het snel leren lopen met een polsstok. Op deze leeftijd kan
men daarvoor lichte polsstokken of zelfs hoogspringlatten
gebruiken. In het begin zal er niet de nadruk gelegd worden op
het creëren van snelheid maar zal men streven naar het
ongedwongen en ontspannen lopen met de stok. Dit alles over
afstanden van 30 tot 50m.
Sprongoefeningen
Vanaf het begin legt men het
accent op het juist en correct afzetten, met insteek/plant
simulatie en een en actieve knie-inzet. Eerst oefent men
sprongen uit stand en pas nadien vanuit een korte aanloop.
Beheersing van de
doeltechniek
Beheersing van de eigenlijke
polsstoktechniek verloopt over vele jaren. De eenvoudigste
basistechnieken kunnen echter snel aangeleerd worden. Het
opnemen van doeltechnieken wordt in hoge mate beïnvloedt door
het aankunnen van de hoeveelheid trainingsarbeid, het
coördinatievermogen en de psychologische bereidheid. Dit
laatste omdat de beheersing van de polsstoktechniek bij
bijvoorbeeld hoogtevrees niet of slechts beperkt kan
aangeleerd worden.

Ofschoon een goede
polsstoktechniek heel wat voorbereidende training vereist,
zijn de beste polsstokspringers ruim vroeg (10-12 jaar) met
techniektraining begonnen. Het aanleren van een goede
polsstoktechniek begint met het aanleren van een juiste
lichaamshouding op het moment van de afzet en het overgaan tot
hang aan de stok. Wanneer deze elementen geautomatiseerd zijn,
kan men overgaan tot het aanleren van het inrollen, draaien en
stut aan de stok. Deze elementen worden tijdens de initiatie
onder een eenvoudigere vorm aangeleerd door bijvoorbeeld van
een verhoogde bank of kast af te springen. Nadien leert men
uit stand het planten/insteken van de polsstok aan. Vervolgens
uit een aantal "gaan-passen" en tenslotte uit een
lichte, ontspannen loopbeweging. Na meerdere herhalingen kan
men het planten laten uitvoeren uit 2, 4 en 6 aanlooppasjes.
Let er echter wel op dat het planten/insteken één van de
moeilijkste technische onderdelen is om perfect uit te voeren.
Beginnelingen zullen dit trouwens niet graag oefenen. Zij
hebben problemen met het aanvoelen van de opeenvolgende acties
van de armen met de loopbewegingen van de benen. Gewoonlijk
plant een beginner zijn polsstok slechts bij de laatste pas.
Hierbij lukt het hem niet om de stok dynamisch naar voor en
naar boven, richting lat te brengen. Het resultaat is dat de
springer te dicht afzet en de polsstok verkrampt opwaarts
brengt. In een latere fase zal de beginnende springer het
planten, afzetten-uitdrukken-nadrukken, hangen,
inrollen, draaien en stut aan de stok als een totaalbeweging
beginnen uit te voeren. Na het automatiseren van de
polsstoktechniek uit een korte aanloop moet men nog geruime
tijd verder gaan met sprongetjes met de stok uit te voeren in
de verte (met draaiing) om de pendelfase van het afzetbeen te
vervolmaken. Het is daarom af te raden om bij beginnelingen te
lichte of te sterk buigende stokken te gebruiken. Het is
doelmatiger met relatief harde stokken te beginnen zodat een
jonge springer de stutbeweging beter kan aanvoelen.
Een aanloop van 8 tot 10
passen is noodzakelijk om tot een noodzakelijke snelheid te
komen voor een sprong, waarbij het ook nog mogelijk is de
bewegingen te controleren en goed uit te voeren. Daarbij is
het ook enorm belangrijk tussen de verschillende noodzakelijke
elementen tot een vloeiende overgang te komen. Bijvoorbeeld:
"aanloop-insteek, inrollen en de strekbeweging,
strekbeweging en de draaibeweging, draaibeweging en de stut
aan de stok" enz. Het is aan te bevelen dit aan te leren
via enkele spelvormen onder het motto: "wie klimt
hoger...? Wie springt verder...?" Dit verhoogt de
motivatie bij deze leeftijdsgroep. Kinderen op deze leeftijd
kunnen zich moeilijk over een langere tijd op één zaak
concentreren. Varieer dus zoveel mogelijk met spelvormen. Spel
behoort tot trainingsvormen op deze leeftijd. (kleine
spelletjes, voetbal, handbal, basketbal, volleybal enz...)
Spelregels moeten daarom ook niet altijd strikt aangehouden
worden. De voortdurende veranderende spelsituaties, de
spurtjes, de veelzijdigheid van sprongetjes komen ten goede
aan de algehele lichamelijke ontwikkeling van het lichaam.
Op deze leeftijd zullen die
verschillende sporten 30% van de totale trainingsarbeid
inhouden. Tijdens de zomerperiode wordt de meeste tijd buiten
in de vrije natuur getraind. Bij een techniektraining is het
een hoofddoel oefeningen uit te voeren in functie van het
polsstokspringen. Dit zijn alle mogelijke soorten van
oefeningen in hang (aan het rek, aan het touw, enz.) schommel-
en zwaaibewegingen, optrekken aan de rekstok, boomklimmen en
gelijkaardige oefeningen. In verschillende samenstellingen en
onder speelse vormen als estafette en wedstrijdjes zijn deze
oefenvormen als een geheel bij elke training te gebruiken.
(wie hangt er het langste, wie klimt er het hoogste, wie raakt
er uit een zwaai een opgehangen voorwerp enz.) Het zicht op
een insteekbak tijdens het planten moet men zeer zeker
automatiseren. Men kan daarvoor verscheidene insteekvariaties
gebruiken waarbij men met de polsstokdop verscheidene
voorwerpen tracht te raken: kleine stenen, kuiltjes,
zandstroken enz. Alles door middel van speelse vormen waarbij
men de polsstok tijdens 2 pasjes exact naar voor/boven en
opwaarts plant.
Men moet ook trachten in de
vrije natuur zoveel mogelijk sprongetjes over greppels, naar
takken, over struiken en andere hindernissen te maken. Men kan
ook sprongetjes maken in de verte over plassen en beekjes.
Looptraining kan men op degelijke terreinen laten uitvoeren
onder spel- of wedstrijdvormpjes. (fartlek of vaartspel
training) Trainingen in de vrije natuur heeft natuurlijk ook
een gezondheidsbevorderende functie.
Daarbij moet men rekening
houden tijdens deze trainingen met de volgende belangrijke
factoren: - ontwikkeling van de behendigheid, coördinatie, de
kracht en de uithouding. - ontwikkeling van de snelheid bij
allerlei bewegingen; - beheersing van de bewegingsvaardigheden
in een aantal sportspelen. - beheersing van de basistechnieken
van alle sprongdisciplines in de atletiek vanuit een korte
aanloop. - het gebrek aan lichamelijke ontwikkeling voorkomen.
Bij deze basisontwikkeling
zal de totaalomvang van de gebruikte trainingsvormen er als
volgt uitzien:
Hoofdtrainingseenheden
150-160 per jaar, 3-4 maal per week, 240-260 uren Turnen en
acrobatie 80 uren per jaar Specifieke oefeningen met de
polsstok 1500-1600 per jaar Sprongen met de polsstok 350-400
per jaar Sprintjes en loopjes met de polsstok over 20-50m.
5km. Spurtjes over 60m. en verder 20km. Sprongoefeningen met
inbegrip van hoog- en verspringen 5000 een afzet Sportspelen,
zwemmen, fietsen.... 70 uren per jaar Loop- en
springwedstrijdjes, meerkamp.... 6-8 per jaar.
Trainingsgebonden omvat de
hoeveelheid aan atletiekoefeningen 40%, gymnastiek 30%,
spelvormen en andere sporten 30% van de totale
trainingskwantiteit.
PARAMETERS VOOR DEZE
LEEFTIJDSGROEP ALS BASISTRAINING.
Optrekken aan het rek in
hang. 10x
Uit hang de benen optillen tot de voeten het rek
raken. 12x
Touwklimmen zonder gebruik te maken van de benen en
voeten. 2-3m.
Barren (gelijke leggers): Inspringen tot steun,
zwaaien voorlings-ruglings in steun en ruglings afwenden.

Rekstok op borsthoogte.
Afstoten en opzwaaien met linker(rechter)-been; borstwaarts
om, tot streksteun.

Hoge rekstok. Zwaaien; uit een voorzwaai
opzwaaien tot handenstand en uitkomen met een halve draai.
Grondgymnastiek. Rol voorwaarts met gestrekte armen, gevolgd
door een streksprong.

Grondgymnastiek: Rugwaarts rollen met gestrekte armen en
uitstutten tot handenstand, gevolgd door een streksprong.
Maximale snelheid: 8m/sec. 20m. vliegend 2,5 sec. 30m staande
start. 4,75 sec. 60m vliegend 8,6 sec.
Staande
hoogtesprong-tweebenig. 0,45m. 3-sprong uit stand. 5,80m.
Verspringen met aanloop. 4m. Greephoogte aan de polsstok.
Dubbele lichaamslengte.
De wedstrijdprestaties zijn
in dit trainingshoofdstuk niet van groot belang. Op deze
leeftijd van 12-13 jaar moeten jongens echter toch ongeveer
3m. kunnen springen.
2. AANVANG SPECIALISATIE 12,
13-15, 16 JAAR.
Deze leeftijdsgroep wordt
gekenmerkt door het hormonale rijpingsproces. Dit gaat gepaard
met de verdere ontwikkeling van de orgaanfuncties,
spiertoename. Ook de lichaamslengte neemt nog toe. Daardoor
wordt de coördinatie tijdelijk verstoord. Nochtans merken we
een duidelijke verbetering van bewegingsmogelijkheden op.
Ontwikkeling van het hart- en
bloedvatenstelsel blijft op deze leeftijd ten opzichte van de
toename van het lichaamsgewicht een beetje achter. Deze
hormonale veranderingen leiden tot een bepaalde disharmonie
met nervositeit als gevolg. Dit vraagt een fijngevoelige
aanpak op deze leeftijd. Foutieve lichaamshoudingen moeten
zeker vermeden worden evenals kortstondige hoge
krachtbelastingen. Tegelijkertijd moet men bij deze jonge
sporters het bewegingsgevoel, de bewegingsnauwkeurigheid en de
kwaliteiten om te analyseren, trachten te verbeteren. Atleten
beginnen hun bewegingen en technieken te controleren.
Bij een overgang tussen
initiatie en beginnende specialisatie zal een trainer de
volgende aspecten benaderen: - de ontwikkeling van het
lichamelijke niveau en het streven naar prestatievermogen -
onderscheid tussen de fysische en de kalenderleeftijd -
gekoppeld aan de graad van belastbaarheid in de training. De
doelstellingen bestaan hierin dat men probeert de atleet
verder veelzijdig op te leiden maar stelselmatig overgaat naar
een meer specifieke aanpak voor het polsstokspringen.
Op een leeftijd van 12-15
jaar is de training van een polsstokspringer gericht op een
verdere ontwikkeling van specifieke bekwaamheden. Dit mag
echter niet losgekoppeld worden van een verdere ontwikkeling
van de andere atletiekdisciplines. Deze worden verder
beschouwd als aanvullende disciplines voor het
polsstokspringen. Dat zijn sprinten, hordelopen, ver- en
hoogspringen. De beheersing van deze disciplines bevordert de
ontwikkeling en de kwaliteiten van het polsstokspringen. Een
veelzijdigheid die nauw aanleunt bij de meerkamp, is de
belangrijkste trainingsinhoud voor deze leeftijdsgroep zeker
in functie van het streven naar betere prestaties.
Concrete doelstellingen zijn:
1. eigen maken van een polsstoktechniek op een hoger niveau 2.
ontwikkelen van de behendigheid en de coördinatie door het
verder aanleren van de andere atletiekdisciplines in functie
van het polsstokspringen. 3. ontwikkelen van het loopvermogen
4. ontwikkeling van de snelkracht door middel van gymnastiek,
acrobatie en aanvullende oefeningen.
Tijdens deze periode werken
jonge polsstokspringers verder aan de vervolmaking van hun
techniek. De omvang van speciale trainingsoefeningen neemt
toe. In de trainingseenheden wordt de totaalbeweging van het
polsstokspringen in afzonderlijke elementen opgesplitst en
doorgenomen. Voor de automatismen en de beheersing van deze
oefeningen wordt.er een bepaalde tijd uitgetrokken. Het gaat
om de volgende deeloefeningen welke achteraf vloeiend in
elkaar moeten overlopen: lopen met de polsstok, de
insteek/plant, afzet en hangfase, de pendelbeweging en het
inrollen, de strek- en stutfase en het draaien aan de polsstok
om tenslotte te eindigen met de latoverschrijding en de
landing. Nadien worden deze deelbewegingen verbonden en verder
geconsolideerd. Nadien probeert men deze deelbewegingen in een
totaalbeweging om te zetten. Bij het gebruik van de
trainingsmethode door middel van deeloefeningen moet men
altijd er op letten dat de beheersing van deze deelelementen
niet geautomatiseerd worden. Zeer zeker moet men deze
bewegingen omvormen tot opeenvolgende deelbewegingen en ze
uiteindelijk omvormen tot één globaal-beweging. Daardoor
verstoort het ene deelelement de overgang naar een ander
element, niet. Hierdoor kunnen de ruimtelijke-tijdverbindingen
tussen al deze elementen tijdig uitgevoerd worden en wordt op
zijn beurt de totaalbeweging geautomatiseerd.
In verband met dit hoofdstuk
maken trainers en atleten veel voorkomende fouten doordat ze
een te zeer hoog sporttechnisch niveau proberen na te streven
met gevolg dat dikwijls de bewegingontwikkeling wordt
verwaarloosd. Dit heeft dan weer een negatieve invloed op de
verdere opbouw van het polsstokspringen. Op deze leeftijd
versterkt elke oefening de natuurlijke ontwikkeling. Derhalve
zijn de eenvoudigste oefeningen te gebruiken welke men met een
redelijke omvang kan laten uitvoeren. Gezien deze jonge
leeftijd gekoppeld aan de lengtetoename en de toename van het
lichaamgewicht zal de jonge springer regelmatig van polsstok
moeten wisselen.
Een der hoofdaccenten bij een
technische vervolmaking is het laten springen met een hogere
aanloopsnelheid. Hiervoor gebruikt men volgende
trainingsmiddelen: 1. ontspannen loopjes en versnellingen met
de polsstok 2. lopen met de polsstok over 40-50m., 4/5
herhalingen. 3. loopdrills met de stok: knieheffen, lopen met
uitpendelen van het onderbeen, loopsprongen met de stok.
Belangrijk is een juiste lichaamshouding te bewaren, in het
bijzonder te letten op een rechte houding wanneer men over het
steunbeen komt. Telkens 2/3 herhalingen. 4. lopen met de
polsstok, vliegend over een afstand van 10-20m. 2/3
herhalingen. 5. lopen met het naar voren brengen van de
polsstok tot de schouder, zonder echter te planten. 4/5
herhalingen. 6. volle aanloop met een overgang tot hang aan de
polsstok. 4-5 herhalingen. 7. springen uit 10-12 passen. 6-10
herhalingen.
Als toepassing voor dit
hoofdstuk wordt de lichamelijke ontwikkeling niet alleen met
algemeen ontwikkelende oefeningen, spelvormen en andere
sporten bereikt, maar betrekt men hierbij ook andere
disciplines uit de atletiek. Met name het hordelopen, ver- en
hoogspringen en de werpnummers.
Snelkrachtontwikkeling komt
ten goede aan de techniek van het (polsstok)springen. Een
ruime waaier aan oefeningen om tot deze verbetering te komen,
zijn de volgende:
a. verschillende multi-sprongen over 10-30m.
Afzetten bij elke pas, wisselsprongen (van het ene been op het
andere). Wisselsprongen met minimale kniebuiging (afstoten
vanuit het voetgewricht), éénbenige sprongen, afzetten na
1-3 aanloop- pasjes, sprongetjes over lage horden met
wisselende afstanden, trappenlopen enz. De omvang mag oplopen
tot ongeveer 100 sprongetjes per training.
b. Sprongen uit
stand: tweebenige en éénbenige standvertesprongen,
tweebenige en éénbenige 3- en 5 loopsprongen, tweebenige en
éénbenige 10-loopsprongen enz. Tot 30 sprongen in een
training verwerken.
c. Verschillende diepte- en hoogtesprongen
uit stand en uit 1-2 pasjes. Op deze leeftijd zijn te diepe
sprongen van kasten of verhogingen te vermijden. 10-12
sprongen van een hoogte van maximaal 30-50cm. zijn aan te
raden.
d. Ver- en hoogspringen uit aanloop. Met betrekking tot
dit trainingsdomein moet men relatief veel aandacht schenken
aan het verspringen. Deze sprongen worden uit verscheidene
lange aanlopen uitgevoerd; 3-4 pas (korte aanloop), uit 6-7
pas (middellange aanloop) en tenslotte uit volle aanloop
(12-13 aanlooppassen).De omvang van de trainingsbelasting
bedraagt ongeveer 20 sprongen uit korte aanloop en 12-15
sprongen uit volle aanloop. Looptraining.
De looptraining is gekenmerkt
door zowel de pure snelheid (bijzonder over 20-60m. d.m.v.
specifieke oefeningen) maar ook door de ontwikkeling van de
snelheidsuithoudingsvermogen d.m.v. afstanden van 100m. en
zelfs langer. Het automatiseren van de looptechniek verkrijgt
men door snelle maar ontspannen spurtjes over een afstand van
60 tot 80m. In geen enkel geval mag men de snelheid slechts
trainen door enkel afstanden/spurtjes tegen de chrono uit te
voeren. Hierdoor wordt de volgorde in de bewegingsontplooiing
of automa-tisme door elkaar gegooid omdat men veel te vroeg
één van de "scherpste" oefeningen hier-voor
gebruikt. Dit leidt alweer tot een stagnatie van de
snelheidsontwikkeling van de springer. Op basis hiervan moeten
"loopsnelheid en bewegingssnelheid" getraind worden
in hoofdzaak met behulp van algemene en specifieke oefeningen.
Tot deze middelen behoren: -
knielifts, loopjes met uitpendelen van het onderbeen, snelle
wisselsprongen, loopjes met actieve knie-inzet, loopjes met
hak-bil beweging enz. - hordenloopjes over lage horden uit 3-5
passen - 3 tot 4 maal 40-60m. sprinten met frequentie en naar
merktekens. - 3 tot 4 maal 20-40m. "fietsen" de romp
rugwaarts geneigd. - 3 tot 4 maal 10 sec. oefeningen met
gummibanden uitvoeren ter versterking van strek- en
buigmusculatuur van de benen. - 4 tot 5 maal 10/12
herhalingen, alsook versnellingen over 60-80m., spurtjes over
30-60m., vliegende versnellingen over 20-30m. De totale omvang
bedraagt 0,5-0,8km. per training. Hier voegt men nog een
aantal spel- en estafettevormen toe. - Supramaximale
trainingsmethoden.
Krachttraining
Krachttraining is bij deze
leeftijdsgroep gekenmerkt, naast de ontwikkeling van de
algemene kracht ook door specifieke krachtoefeningen,
noodzakelijk voor het polsstokspringen. Op deze leeftijd mag
men rustig beginnen met het gebruik van halters.
Voorzichtigheid in het begin blijft aangeraden. In het begin
traint men voornamelijk de spieren rond de wervelzuil:
buikspieren en schuine buikspieren, rug- en rompspieren en
spieren aan de voorzijde van het bovenlichaam. Op deze
leeftijd is de wervelkolom nog zeer broos waardoor er snel
blessures kunnen optreden. Daarom begint men bij deze jonge
polsstokspringers steeds met versterking van het bovenlichaam.
De te gebruiken
krachtoefeningen kan men in drie groepen indelen:
1. Oefeningen met lokaal
karakter: inwerking op afzonderlijke spiergroepen met geringe
belasting. Handhalters, halterschijven, zandzakken,
gewichtsvesten, enkelbanden enz. De extra belasting bedraagt 3
tot 5kg. Deze oefeningen met lokale inwerking zijn voor het
aanvangen van de specialisatie, hoofdtrainingsvormen. De
omvang per trainingseenheid bedraagt 30 tot 40 herhalingen.
2. Oefeningen met algemene
inwerking: voorslaan, tillen tot op de borst, romp- buigingen,
uitvalpassen, opwaarts stappen, uitstoten, kniebuigingen.
Belasting bedraagt 50-60% van het lichaamsgewicht.
Halteroefeningen tot 80% van het lichaamsgewicht: halve
kniebuigingen, wandelen met halter op de rug waarbij men bij
elke pas op de tenen komt. Met een kogel van 4kg voor- en
rugwaarts werpen.
3. Specifieke
krachtoefeningen voor het polsstokspringen. Bankdrukken met
50-60% van het lichaamsgewicht, trekken met 20-30% van het
lichaamsgewicht. (3-4 sets van 2/3 herhalingen), benen
optillen op een schuine bank met een belasting van 5kg. (10
herhalingen), inrollen rond de schouderas met gestrekte armen
en een belasting van 3-5kg. (2 tot 3 sets van 4/5 reps).
Touwklimmen zonder beenhulp tot 3m., touwklimmen in omgekeerde
hang met behulp van de benen.
Het basisprincipe bestaat
hierin de spieren te versterken en planmatig de kracht bij de
hoofdoefeningen te ontwikkelen.
Controleresultaten.
1. bankdrukken 60kg.
2.
voorslaan 50kg.
3. trekken 30kg.
4. benen optillen op schuine
bank 10 herhalingen met 5kg. met gestrekte armen.
Gymnastische voorbereiding.
Dit heeft een speciaal
karakter om de behendigheid en de beweeglijkheid te
ontwikkelen welke een polsstokspringer nodig heeft. Het
polsstokspringen is een discipline bestaande uit twee sporten.
Aanlopen en afzet behoren tot de pure atletiek, de sprong zelf
samen met het benutten van de elastische eigenschappen van de
stok, behoort tot de gymnastiek. Oefeningen aan de
turntoestellen, acrobatie en trampolinespringen dragen bij tot
de ontwikkeling van de polsstokspringer. Op een leeftijd van
15-16 jaar kunnen reeds vrij moeilijke elementen uit het
turnen uitgevoerd worden. Aan de ringen en de hoge rekstok
gebruikt men het zwaaien tot stut. Typisch op deze leeftijd
aan deze toestellen is het proberen en het uittesten om tot
handenstand te komen aan deze turntoestellen. Typische
oefeningen zijn:
- hoge rekstok: uit een
voorzwaai, vrije buikdraai achterover, opwaarts, rugwaarts
zonder de rekstok te raken. Idem met aanspringen.
- lage ringen: kip tot stut (afzet met één been en zwaai met
het andere been) kip aan de hoge ringen verzoeken.
- rekstok op borsthoogte:
uit stand of uit streksteun uitspringen met onderdraai tot
stand.
- hoge rekstok: een
aantal zwaaibewegingen uitvoeren, tenslotte uit de voorzwaai
komen tot een vrije buikdraai rugwaarts tot handenstand; 360°
draai rond lengteas; afspringen met een voorzwaai-onderzwaai
met draaiing rond de lengteas.
- barren: uit steun, rugwaarts rollen over bovenarmen; uit
hang op het einde van de barren met een onderzwaai met draai
uitpendelen. (kan ook met een latoverschrijding uitgevoerd
worden)
- zwaaien aan de ringen: bij de achterzwaai beide armen
spreiden, tijdens de voorzwaai terug komen tot strekhang en
borst voorwaarts laten indringen
- vloer: rugwaarts rollen en stutten tot handenstand /
rugwaarts rollen tot handenstand en een lat overschrijden /
uit stand salto rugwaarts.
- vloer: radslag - radslag met draai - flik flak - arabier gevolgd
door flik flak
Alhoewel de bewegingen en de
sprongen aan een trampoline niet rechtstreeks aanleunen met de
polsstokbewegingen is het trampolinespringen tevens een ideale
gymnastische voorbereiding om de lichaamsbeheersing en de
coördinatie in de lucht te verbeteren. Sprongen met arminzet
bij de afstoot en tijdens de vluchtfase zijn de basis om op te
bouwen naar moeilijkere oefeningen. Met name sprongen met
draaiingen rond de lengteas, gehoekte salto's, salto's met
schroeven, barani enz. Meerdere herhalingen zullen moeten
worden uitgevoerd. Trampolinespringen wordt door jonge atleten
in een training graag benut. Voorzichtigheid en veiligheid
blijven bij het gebruik van dit toestel zeer belangrijk.
Totaalomvang van de
trainingsmiddelen te gebruiken bij de aanvang specialisatie.
- totaal aantal
trainingseenheden 240-250 per jaar
- sprongen met polsstok
700-750
- specifieke oefeningen met polsstok 1500-1600 per
jaar
- lopen met polsstok 5km.
- spurtjes en hordenloopjes
over 20-60m 17km.
- sprints over 60m en meer 30km.
- sprongen
10.000
- ver- en hoogspringen 600
- halters en schijven 50t
-
turnen 70 uren
- spelvormen 40 uren
Controlewaarden voor deze
leeftijdsgroep bij het begin van de polsstokspecialisatie:
1.
max. loopsnelheid rond 9m/sec. - 60m. uit stand 7,5sec. -
100m. uit stand 11,9sec. - 20m. vliegend 2,2sec.
2. 20m. uit
stand met polsstok 2,35sec.
3. Verspringen met aanloop
6,30m. - driestapsprong uit stand 8,20m.
4. Bankdrukken 50kg.
5. Hoge rekstok: uit voorzwaai een buikdraai rugwaarts
uitvoeren zonder de rekstok te raken. Ringen: inrollen tot
vouwhang en uitdrukken tot hoeksteun. Vloer : rugwaarts rollen
met stut tot handenstand en latoverschrijding; flikflak en
salto rugwaarts.
6. Polsstokspringen: in deze leeftijdsgroep
moeten prestaties bereikt worden van 4.30 - 4.50m. met een
greephoogte van plus minus 4.20 - 4.30m. Men bereikt reeds een
overhoging van 0.30 - 0.45m.
3. VERDERE SPECIALISERING VOOR
DE LEEFTIJDSGROEP 16, 17-18, 19 JAAR.
In deze leeftijdsgroep
volstrekt zich de biologische ontwikkeling van het lichaam en
volgroeit men naar volwassenheid. De vorming van alle
psychische en motorische systemen van een jonge atleet worden
afgesloten. De psychische facetten met in het bijzonder de
krachtfaciliteiten en de snelkracht mogelijkheden laten toe
dat men zeer veel kan trainen. Bij de verdere ontwikkeling van
de snelheid komt nu tot uiting in hoeverre een atleet beschikt
over een natuurlijke, aangeboren snelheid. De intellectuele
ontwikkeling op deze leeftijd onderscheidt zich kwalitatief
niet meer van deze bij volwassenen. Deze leeftijd streeft
daarentegen naar een eigen opinie en wordt gekenmerkt door een
kritisch denken.
Bij 18-19 jarigen vertraagt
de natuurlijke ontwikkeling van het organisme en een verdere
ontwikkeling van de lichamelijke eigenschappen wordt door het
trainingsproces gestuurd. Men gaat in één trek door naar
verdere specialisatie. Totaalomvang en trainingsbelasting
nemen duidelijk toe maar blijven wat zijn maximum betreft
afhankelijk van individu tot individu. Deze opmerkelijke
veranderingen op trainingsvlak zal te merken zijn op
prestatieniveau.
Hoofddoelen van de training
op deze leeftijd zijn:
1. gemeenschappelijke ontplooiing van
de bewegings- en vaardigheidsfundamenten met als dominante de
vervolmaking van de spelkrachteigenschappen.
2. heropbouw van
een betrouwbaar sprongbeeld van uit het oogpunt van een hogere
aanloopsnelheid.
3. minimaliseren van de zwakke punten.
4.
opdoen van wedstrijdervaring.
Deze technische voorbereiding
uit zich door volgende middelen:
A. specifieke voorbereidende
oefeningen en sprongen uit korte aanloop
De atleet is eigenlijk
functioneel reeds goed getraind en voorbereid. Steun- en
bewegingsapparaat evenals de schoudergordel zijn reeds vrij
sterk. Dit geeft de mogelijkheid de bewegingen met meer kracht
en snelheid uit te voeren. Het aantal sprongen uit korte
aanloop (6-8 pas) zal per trainingseenheid oplopen tot 20-25
sprongen.
B. sprongen met een aanloop
uit 10-12 passen.
Sprongen met korte aanloop
met een correcte techniek bieden een voldoende snelheidsniveau
om het pendelen en inrollen te kunnen uitvoeren. Daarbij biedt
dit snelheidsniveau de mogelijkheid om alle bewegingen te
kunnen controlerende als gevolg dat men meerdere sprongen kan
uitvoeren uit gemiddeld lange aanloop. Per training zal men
dan ook 15 tot 20 sprongen maken.
C. sprongen uit volledige
aanloop.
Uit 16 tot 18 aanlooppassen
haalt men uiteraard een grotere snelheid. Sprongen met langere
aanloop en hogere snelheid laten een hogere greep aan de stok
toe evenals het benutten van hardere polsstokken. Dit
bewerkstelligt een hogere overhoging aan de stok bij het
overschrijden van de lat. Uit volle aanloop zal men 10 tot 15
sprongen per training uitvoeren.
Techniektraining, bij deze
leeftijdsgroep wordt veel intensiever uitgevoerd. Men streeft
er naar zijn beste prestaties te benaderen. Langzamerhand
worden voorbereidende oefeningen verminderd en het uitvoeren
van volwaardige wedstrijdsprongen, verhoogd. (10 tot 12
sprongen per training)
Loopscholing.
Met 18-19 jaar zijn de
natuurlijke reserves voor de snelheidsontwikkeling afgewerkt.
Vandaar het belang van de snelkrachttraining ter verhoging van
de loopsnelheid. Middelen hiervoor zijn loopoefeningen met
geringe weerstand. (gewichtvesten, halterschijven,
halsterstangen op de schouders, lopen met sleepgewichten enz.)
Loopsprongen op tijd over een afstand van 20 - 30m.
Bergopwaarts lopen over 40 - 50m. Versteviging van hamstrings
met fietsbanden of gummibanden. Lopen met verzwaarde
polsstokken over 40 - 50m. Lopen over lage horden met 3 en 5
pasritme over 50 tot 60m. Oefeningen ter bevordering van de
pasfrequentie zoals: - loopbewegingen in steun tegen een muur,
3 tot 4 maal gedurende 10 - 15sec. - lopen met merktekens ter
bevordering van de pasfrequentie en verkorting van de
paslengte. 4 tot 5 maal over 40 - 50m. met een aanloop van
ongeveer 10 - 20m. - bergafwaarts lopen. 4 tot 5 maal over 30
- 40m. Naast versnellingen, startjes en korte loopjes moeten
ook afstanden als 100- 200m. getraind worden. De omvang per
training bedraagt ongeveer 1000m.
Hoofddoel bij de
krachttraining van een polsstokspringer, bij deze leeftijd en
bij het uitdiepen van de specialisatie hiervan, bestaat
voornamelijk in de krachttoename van de hoofdoefeningen. Bij
het polsstokspringen zijn niet enkel zware krachten
bevorderlijk, maar zijn eigen aan het ritme van de sprong.
Daardoor verhoogt het doel van een specifieke krachttraining.
Daarom deelt men de krachttraining met betrekking tot deze
doelgroep in, in drie delen:
1. Ontwikkeling van de
maximale kracht.
Krachtbeheersing kan in het
algemeen door middel van hoge belastingen ontwikkeld worden.
De hoofdoefeningen worden met gemiddelde en hoge belastingen
uitgevoerd en hebben een algemeen doelgericht trainingseffect.
- diepe en halve squats
- voorslaan en trekken
- bankdrukken
en uitstoten
- uitvalpassen en lunges met halter op de
schouders
- beenpress in ruglig
Gewichten 50 - 60% / 80 -
100% van het lichaamsgewicht.
2. Specifieke
krachtoefeningen
- Lopen met haterschijf in de
handen. ( 10kg.-30/40m. / 3-4 maal)
- Uitstoten of planten van
een halter vanuit de borst en tegelijkertijd op een kastendeel
(30-40cm.) stappen. Halter van 20-30kg. / 5 tot 6 maal
uitvoeren.
- Inrollen vanuit ruglig met gestrekte armen.
-
Oefeningen aan het rek: - vanuit strekhang, optrekken tot
boven de greep - vanuit sterkhang met kracht optrekken tot
streksteun. - vanuit streksteun uitdrukken tot handenstand. -
vanuit strekhang, linker been gestrekt - rechterbeen gebogen;
met een lichte zwaai de okselhoek sluiten en met rechtervoet
de handengreep raken.
3. Krachtoefeningen met zwaaidoeleinden.
- ontwikkeling van de
snelheid, de zogenaamde explosieve kracht door middel van
verscheidene zwaaibewegingen aan ringen, rekstok en barren.
-
Verscheidene zwaaibewegingen en "kippen" tot stut en
handenstand
Deze gymnastische oefeningen
leunen het sterkst aan bij de bewegingen van het
polsstokspringen. Tijdens een meer specifieke specialisatie
speelt de krachttraining een belangrijke rol.
Wereldrecordhouder Bubka zei: "Wij hebben met
krachttraining een belangrijke vooruitgang geboekt. Daardoor
ben ik psychisch zekerder en stabieler geworden. Ik maak geen
onderscheid tussen techniek- en krachtontwikkeling evenals de
coördinatie."
De totaalomvang van de
krachttraining omvat op 18 - 19 jaren, 100 ton en meer.
De gymnastische training is
bij deze leeftijdsgroep gekenmerkt door een toenemende
specialisatie en door sterke doelgerichte bewegingen die nauw
aanleunen bij het polsstokspringen. Dit zijn oefeningen met
uitgesproken zwaaibewegingen van de benen, overgangen van stut
en steun naar handenstand. Daarbij vermindert het aantal
oefeningen terwijl bij de belangrijkste oefeningen vooral naar
kwaliteit wordt gestreefd. Dit komt vooral tot uiting bij de
oefeningen aan de ringen en de rekstok. Typische oefeningen
zijn:
1. uit een voorzwaai in de ringen, opzwaaien tot
handenstand. Deze oefening wordt via een aantal voorbereidende
zwaaibewegingen, door een zeer actieve beeninzet, uitgevoerd.
Het opzwaaien uit strekhang, vindt vloeiend plaats. Ter
vereenvoudiging van deze oefening kan men met ondersteuning
van de trainer of met een touw als hulpmiddel werken.
2.
rekstok op borsthoogte; buikdraai rugwaarts en uitstutten tot
handenstand met hulp van de trainer. Na het creëren van
snelheid wordt de draaiing rond de rekstok met een gestrekt
lichaam uitgevoerd. In het loodrechte vlak probeert de atleet
door de armen krachtig van het bovenlichaam weg te drukken
(schouderflexie) tot handenstand te komen.
3. uit aanzwaaien
en borstwaarts om aan hoge rekstok, komen tot handenstand en
bij het afspringen een lat overschrijden.
4. idem vorige
oefening maar bij de onderzwaai uitkomen met een halve draai
en een lat overschrijden.
5. kip tot stut aan de lage ringen.
(afzetten met een been en zwaaien met het andere been)
6. radslag / arabier
7. salto rugwaarts uit stand
8. uit een aanloop
achtereenvolgens arabier met salto rugwaarts.
9. rugwaarts
rollen met stut tot handenstand en een latoverschrijding.
De sprongtraining is bij deze
leeftijdsgroep intensiever. Men streeft er reeds naar om op
training behoorlijke wedstrijdsprongen af te leveren. De
omvang van de algemene sprongoefeningen neemt lichtjes af en
de sprongen met ganse aanloop nemen toe. Tot de meest
gebruikte sprongvormen behoren:
I. Tweebenige en éénbenige
sprongen uit stand op afstand en hoogte. Twee-, drie- en
vijfstapsprongen met één been of met een beenwissel.
Trappenlopen en trappensprongetjes zowel opwaarts als
neerwaarts.
II. Multisprongen over
10-30m. uit stand of uit een aanloop. Veelsprongen met
gestrekte benen met nadruk op het afstoten vanuit het
voetgewricht. Eénbenige sprongen, loopsprongetjes met nadruk
op 1, 3, 5e pas. Sprongen over horden op een afstand van 1, 3,
5 looppassen en tweebenige hordensprongen.
III. Plyometrie vanuit
30-50cm. valhoogte. Tweebenig of éénbenig uitgevoerd als
enkelvoudige, dubbele of driedubbele sprongen. Eénbenige en
tweebenige opwaartse sprongen vanuit stand op een kast van
50-100cm. hoogte. Uitgevoerd met 1-3 gaan passen of in
combinatie met dieptesprongen gevolgd door een vertesprong.
IV. Sprongen met aanloop.
Ver- en hoogtesprongen uit 3-4 aanlooppasjes, hoogspringen uit
5-7 passen en verspringen uit 12-14 aanlooppassen. Deze
laatste zijn bijzonder belangrijk daar uit een dergelijke
aanloop snelheid ontwikkeld wordt die de aanloopsnelheden van
het polsstokspringen benaderen. Omvang met korte aanloop
bedraagt 12-15 sprongen en uit lange aanloop 8-10 sprongen per
training.
Bij deze leeftijdsgroep moet
men ook meer aandacht besteden aan de wedstrijdvoorbereiding.
Wedstrijden op deze leeftijd behalen reeds een zeer hoog
niveau.
Polsstokwedstrijden hebben
hun specifiek eigen karakter. Bij elke poging weet de springer
exact welke hoogte hij moet overwinnen; (in tegenstelling
bijvoorbeeld met verspringen, sprintwedstrijden...) Het
allerbelangrijkste: de beste prestatie moet op het einde van
de wedstrijd geleverd worden bij een toenemende
vermoeidheidsgraad. Meer dan bij de andere sprongdisciplines
hebben de weersomstandigheden een invloed op het resultaat.
Zij- of tegenwind, regen enz. bemoeilijken het dragen van de
polsstok. Slechte stadionverlichting komen het
planten/insteken van de polsstok niet ten goede. Vanuit dit
oogpunt overtreft het indoor wereldrecord, het wereldrecord in
open lucht.
Al deze omstandigheden zijn
voor jonge, onervaren springers een uitdaging. Ze bevorderen
de zin voor zelfbeheersing, en vooruitziendheid en.de
springuithouding. Wedstrijden zijn een belangrijk onderdeel in
het trainingsproces. Ze ontwikkelen bij de atleet de sportieve
kampgeest en de wilskracht. De springer moet tijdens de
training wedstrijdsituaties nabootsen. Zo kan men bijvoorbeeld
het aantal sprongen per hoogte beperken of de pauze tussen de
sprongen verlengen. Men kan ook bij tegenwind of met regen
trainen...!
De wedstrijden bij junioren
vinden plaats na een degelijke periodisering en opbouw.
Tijdens de maanden Januari-Februari vinden de
indoorwedstrijden plaats. Met de maanden Mei-Juni eindigt het
hoofdstuk van de eerste zomerwedstrijdperiode. In
Augustus-September vinden dan de belangrijkste wedstrijden
plaats. Jeugdige springers op deze leeftijd benutten een
volledig wedstrijdprogramma omdat ze menigmaal moeten
deelnemen aan seniorenwed-strijden. Per jaar deelnemen aan
12-15 polsstokwedstrijden en 5-6 alternatieve wedstrijdjes is
opti-maal. Alternatieve wedstrijden zoals sprintwedstrijden,
ver- en hoogspringen, hordewed-strijden en eventueel een
meerkamp. Sportspelen zoals voetbal, basketbal en volleybal en
andere dienen eerder als een welgeko-men emotioneel
alternatief in functie van de algemene doelstellingen van een
training.
Totale trainingsomvang per
jaar wat betreft de verdere specialisatie: 1. Aantal
trainingseenheden : 280-300 2. Aantal specifieke oefeningen
met polsstok : 1000 4. Aantal polsstoksprongen uit volle
aanloop met intensiteit van 80-90% : 250 5. Aantal
polsstoksprongen uit volle aanloop met intensiteit van
95-100%: 150 6. Aanlopen met planten van de stok : 300 7.
Sprintjes tot 80m. en hordeloopjes : 25km. 8. Sprintjes over
meer dan 80m. : 35km. 9. Aantal sprongoefeningen : 10.000 10
Aantal sprongen ver en hoog : 600 11. Haltertraining : 100 ton
12. Turnen en acrobatie : 80 uren 13.Aantal
polsstokwedstrijden per jaar : 12-15 14. Aantal alternatieve
wedstrijden per jaar : 5-6
Controlewaarden voor deze
leeftijdsgroep bij een verdere specialisatie:
1. bereiken van een
loopsnelheid van : 10m/sec.
2. 60m. uit stand : 6,8-6,9 sec.
3. 100m. uit startblok : 11,0-11,2 sec.
4. 30m. vliegend : 2,9
sec.
5. 30m. vliegend met polsstok : 3,1 sec.
6. verspringen
met volledige aanloop : 7m.
7. driesprong uit stand : 9,40m.
8. bankdrukken : 90kg.
9. voorslaan : 80kg.
10. aan de ringen
vanuit een voorzwaai, opzwaaien tot handenstand
11. aan de
hoge rekstok uit zwaai komen tot handenstand;
12. rekstok op
borsthoogte; buikdraai rugwaarts tot handenstand.
13. vanuit
zit met gestrekte benen; rugwaarts rollen tot handenstand met
latoverschrijding.
14. Salto rugwaarts vanuit stand.
15.
Bestprestaties van de betere polsstokspringers: 5.40-5.50m.
met een greephoogte van 4.80-4.90m. en een overhoging aan de
polsstok van 0,75-0,80m.
4. SPORTIEVE VERVOLMAKING OP EEN
LEEFTIJD VAN 19, 20-21, 22 JAAR. (TOPPRESTATIES)
Op deze leeftijd streven
polsstokspringers reeds naar topprestaties. Dit hangt in hoge
mate af of de atleet een bewegingspotentieel bezit om aan deze
techniek te voldoen. Door deel te nemen aan belangrijke
wedstrijden doet de springer wedstrijdervaring op en uiteraard
de mogelijkheid om topprestaties te leveren. Tijdens de
voorbereiding hiervan spe-len de trainingskwaliteit en het
herstel een belangrijke rol. Deze wedstrijdvereisten zullen
tijdens het trainingsproces stuk voor stuk aangesproken
worden. Dit wordt bereikt door een verhoging van de
trainingsintensiteit en het behouden van de trainingsomvang.
Om dit te bereiken bestaan de
volgende concrete trainingsopgaven: 1. Versnelde ontwikkeling
van de specifieke vaardigheden. 2. Efficiënte techniek in
harmonie met het snelkracht niveau. 3. Psychische
stressweerstand. 4. Opdoen aan wedstrijdervaring. Hiervoor
moet de atleet elke sprong zelf kunnen analyseren en
corrigeren zonder daarvoor telkens advies aan zijn trainer te
moe-ten vragen. Bij het opstellen van een jaarplan moet men
rekening houden met deze voorbereiding in functie van die
belangrijke wedstrijden;
De technische voorbereiding
speelt een belangrijke rol in de totaalomvang van de
trainingen. Techniektraining omvat 50% van de totale
trainingsomvang. Het automatiseren van de polsstoktechniek
wordt bereikt door specifieke voorbereidende oefeningen en
door het polsstokspringen zelf.
In het begin van elke
voorbereidingsperiode worden bij de trainingseenheden van het
polsstokspringen hoofdzakelijk specifieke oefeningen gebruikt
waarbij weliswaar ervaren polsstokspringers reeds de totale
polsstoksprong inzetten/benutten. Bij ervaren
polsstokspringers bestaat de moeilijkheid niet in het
uitvoeren van de afzonderlijke techniekelementen maar wel in
het uitvoeren van een ritmisch correcte totaalsprong. Elke
5-meterspringer kan zonder problemen afzonderlijk een juiste
afzet en hangfase aan de polsstok uitvoeren. Ook een
pendelfase en het inrollen aan de stok kan hij perfect
demonstreren. De vraag echter hoe lang (tijdspanne en
ruimtelijk...) men moet indringen aan de polsstok, wanneer de
inrolfase moet beginnen blijven nog steeds een open vraag,
zelfs voor de huidige topspringers. Daarom zullen springers
van deze leeftijd niet meer zozeer de technische elementen
afzonderlijk inoefenen. Van bij het begin zal de totaalcomplex
van de specifieke oefeningen beheerst worden en ze zullen al
deze oefeningen in één trainingseenheid proberen aan te
spreken.
Het zwaartepunt van een
training is afhankelijk van de individuele beheersing van de
verscheidene sprongelementen. (bijvoorbeeld: de afzet en de
insteekbeweging, arbeid nodig aan de zich strekkende
polsstok...). De andere elementen welke men reeds behoorlijk
beheerst, mogen echter niet verwaarloosd worden.
De beste oefening om tot een
automatisme van een bepaald onderdeel van de polsstoktechniek
in relatie tot de andere elementen te komen, is het
polsstokspringen in zijn totaliteit. Om al deze elementen te
verbinden tot een vlotte sprong en om verdere problemen te
elimineren, zal men het springen uitvoeren onder makkelijkere
omstandigheden. Hierdoor hoeft de springer zich niet te
focussen op de hoogte of het overschrijden van de lat. Men kan
zich dan totaal concentreren op één of twee sprongelementen
of het ritme van de sprong zelf.
Tijdens zulk een
voorbereidingsfase worden de volgende specifieke oefeningen en
sprongen aangesproken: In het begin van elke training spreekt
men deze specifieke imitatieoefeningen aan welke zeer dicht
aanleunen bij het eigenlijke polsstokspringen. Nadien volgen
de totaalsprongen met latoverschrijding. Nadien voert men
opnieuw enkele imitatie oefeningen met de polsstok uit om
bewegingsvaardigheden verder vast te leggen. De totaalomvang
van deze imitatieoefeningen loopt op tot 60-100 herhalingen
per training, specifieke oefeningen met de polsstok 50 en
tenslotte een 20 sprongen met de polsstok zelf. Natuurlijk
moet er af en toe een training tussen zitten waarbij de atleet
50 polsstoksprongen maakt om dan bij een volgende training de
omvang te reduceren en het springen met de polsstok een
tijdje te vergeten.
Hoofdbestanddeel bij deze
technische voorbereiding, in functie van deze vervolmaking,
zijn sprongen met gehele aanloop. Met volle aanloop zal men in
de voorbereidingsperiode echter voorzichtig moeten omspringen.
De aanlooplengte mag men slechts stapsgewijs met twee passen
verlengen.
Tijdens de winterperiode kan
men 2 tot 3 trainingen per week sprongen met de polsstok uit
laten voeren waarbij de na te streven doelen, variëren.
Tijdens de wedstrijdperiode, kort voor de eigenlijke
wedstrijden, wordt het aantal speciale oefeningen in
verhouding tot het aantal globaalsprongen duidelijk
vermindert. Die specifieke oefeningen worden in het begin van
een training slechts als "surplus" uitgevoerd. Het
hoofddoel van de training blijft het springen over een lat.
Hierbij begint men dadelijk met lange aanloop op vrij hoge
lathoogtes conform een wedstrijdprestatie. Slechts wanneer er
vermoeidheid optreedt, kan men de aanloop inkorten en met
lichtere stokken gaan springen. De springer kan dan althans
nog enige technieksprongen uitvoeren om dan de training met
specifieke polsstokoefeningen te beëindigen. Zo kan men nog
een aantal techniekelementen automatiseren die tijdens de
totaalbeweging niet meer kwalitatief werden uitgevoerd omwille
van vermoeidheidsverschijnselen.
In functie van dit
trainingshoofdstuk voert men de sprongen met volle aanloop uit
met een intensiteit van 95-100% op lathoogtes die het
persoonlijke record benaderen. Zelfs probeert men enkele
sprongen met een lathoogte hoger dan het persoonlijke record.
Alleen dergelijke sprongen tonen aan dat de springer een
constante techniek heeft bereikt door een efficiënt gebruik
van een zulk een specifieke lichamelijke voorbereiding. Door
sprongen te oefenen op het niveau van een persoonlijke record,
bevordert men ook de stressbestendigheid en de psychische
stabiliteit noodzakelijk voor grotere wedstrijden. Men ziet
ook hoe de springer omgaat of reageert wanneer hij een hoogte
moet springen in het bereik van zijn persoonlijk record.
Sprongen uit volle aanloop
met maximale intensiteit zijn het beste middel tot
prestatieverbetering. Het is bevorderlijk ongeveer 50% van het
totaal aantal sprongen uit te voeren met een intensiteit van
95-100%. Verdeling van de sprongkwantiteit ziet er dan als
volgt uit: 6-8 sprongen met volle aanloop in de buurt van het
persoonlijk record, 8-10 sprongen met een gereduceerde aanloop
met geringere lathoogte en tenslotte 10-15 sprongen zonder lat
om technische details te vervolmaken. Er vinden twee
springtrainingen per week met de polsstok plaats.
Een effectieve springtechniek
bevordert het benutten van hardere stokken. Hiervoor is alweer
een zeer hoge aanloopsnelheid nodig. Een goede looptechniek en
voorbereiding leidt dan sowieso tot een betere prestatie.
Wanneer op een leeftijd van
19-20 jaar de aangeboren snelheidsontwikkeling opgehouden is,
moet als hoofddoel de snelkracht eigenschappen aangesproken
worden voor een verdere ontwikkeling van het
snelheidspotentieel van de springer. De ontwikkeling van deze
snelheidseigenschappen duurt langer op deze leeftijd dan bij
vorige leeftijdsgroepen. De omvang van de korte spurtjes tot
60m. neemt onbeduidend af, maar deze afstanden worden met een
100% inzet en met tijdsopname gelopen.
Een middel om eenzelfde
paslengte te verkrijgen zijn spurtjes uit te voeren over lage
horden met 3, 5 en 7-pasritme.
Doeleinden en hoofdzaken bij
de looptraining in functie van dit hoofdstuk zijn:
1. Sprints over 100-200m.,
3-4 maal ontspannen lopen. 800m. in training.
2. Korte sprints
over 30-60m. uit blok en vliegend gelopen. (supramaximaal!)
5-6 maal 30m. met startblok, tempowisselloopjes, hordenloopjes
over 500-600m. gedurende een training.
3. Specifieke
oefeningen voor de snelkrachtontwikkeling: snelle, vinnige
sprongen over 10-30m., hak-bil, skippings, bergopwaarts lopen
over 50-60m., lopen over lage horden met 3 en 5 passen; 4-5 x
60m., hordensprongen.
Deze getrainde
snelheidseigenschappen moeten tevens omgezet worden naar het
lopen met de polsstok en het ritme nodig bij de aanloop van
een sprong moeten geconsolideerd worden.
De sprongkrachttraining. In
de eerste plaats moet bij een polsstokspringer de snelkracht
in de benen ontwikkeld wor-den. Een goed ontwikkelde
sprongcapaciteit leidt tot een verbetering van de loopsnelheid
en tenslotte tot de mogelijkheid snel en krachtig af te
stoten.
De sprongkrachtoefeningen
worden in drie groepen ingedeeld:
I. Basisoefeningen
1.
Meervoudige sprongen uit half gebogen knieën met een halter
op de schouders. Haltergewicht 40-50% van het lichaamsgewicht,
5-6 sprongen in 3 sets.
2. Sprongen met handhalters, gewicht
16kg., 8-10 herhalingen in 3-4 sets.
3. Uitvalpassen met een
halter van 40-50kg. op de schouders, tot 30m. in 2-3 sets.
4.
Gaan met gestrekte benen, afdrukken en afrollen van de voeten
met een halmter op de schouders, 50-60kg.; 30-40m. in 2-3
sets.
II. Oefeningen welke snel
achter elkaar kunnen worden uitgevoerd, welke een snelle
omschakeling bewerkstelligen van excentrisch naar concentrisch
werk en die het spier- peesapparaat versterken.
1.
Loopsprongen over 30-50m., 2-3 sets.
2. Meervoudige tweebenige
sprongen ("kikkersprongen") over 20-30m. in 2-3 stes.
3. Sprongen over 10 horden, die in afstand 2-2,5m. uit elkaar
staan. Hoogte 0,75-1m. en 3-4 sets;
4. Diepsprongen vanaf
0,3-0,5m. hoogte, reactief afzetten op afstand of hoogte.
10-15 herhalingen.
5. Stand-vertesprongen,
stand-hoogtesprongen, drie-stapsprongen. 10-15 herhalingen.
III. Oefeningen gericht op de
vaardigheid om te kunnen afstoten vanuit een hoge snelheid.
1.
Verspringen uit 12-16 aanlooppassen. Bij een dergelijke lange
aanloop worden snelheden van 9-9,5m. bereikt met een
horizontale componenten van 2-2,5m./sec. Daardoor ontstaat een
afzethoek van 16-18° te vergelijken met de afspringhoek bij
het polsstokspringen.
2. Hoogspringen met aanloop. Een
spronghoogte van 1.80-1.85m. geeft eveneens een verticale
snelheid van 2-2,5m./sec.
Op jaarbasis is de
sprongtraining van een polsstokspringer op trainingsgebied,
gelijkmatig verdeeld. Toch ligt op dit vlak het
trainingszwaartepunt in de herfst-winterperiode. Hoofdzaak
zijn de oefeningen die we terugvinden in groep I en groep II.
Langzamerhand worden deze oefeningen vervangen door deze uit
groep III. Let echter wel op voor een overbelasting en
blessures door een teveel aan sprongkracht-trainingen. Deze
oefeningen belasten enorm het voetgewricht, spieren van de
onderbenen en zeker de achillespezen. Dit zou het
blessuregevaar verhogen. In functie van kwaliteitstrainingen
zal men nu tot het uiterste gaan bij een krachttraining.
Snelkracht wordt op basis van de algemene krachttraining
steeds belangrijker, noodzakelijk voor het overwinnen van de
elastische eigenschappen dewelke ontstaan bij het buigen van
de stok. De elastische polsstok vereist niet alleen enorme
krachten maar ook een precieze timing. Het vereist een snelle
omschakeling van spanning en ontspanning, van statische kracht
naar snelle explosieve acties. Deze enorme prestaties worden
bewerkstelligt door de extensoren van de schoudergordel en de
armmusculatuur. Wanneer de springer deze elastische factoren
van de polsstok tijdens het springen onder controle heeft,
moet hij zijn lichaam vanuit hang aan de stok zo snel mogelijk
kunnen kantelen draaiend rond zijn schouderas tot een
omgekeerde hang met de voeten opwaarts gericht. Voor die
functionele spiergroepen zijn volgende oefeningen in dit
verband te benutten:
1. Bankdrukken. Bij deze
krachtoefening wordt gestreefd naar een belasting van 130-135%
van het lichaamsgewicht.
2. Ruglig; pullover met gestrekte
armen. Een zeer goede oefening analoog bij het inrollen aan de
polsstok, echter opletten voor schouderblessures. Daarom laat
men de halter achter het hoofd niet te ver naar beneden
zakken. De beste pols-stokspringers voeren deze oefening uit
met een belasting van 55-60% van hun lichaamsgewicht.
3. In
hang aan de hoge rekstok en met een enkelgewicht tot 20°% van
het lichaamsgewicht, actief met gestrekte armen inrollen en
de knieën doorschuiven tot aan de handgreep.
4. Hang aan de
rekstok met het lichaam in dwarse hang.
5. In omgekeerde hang
aan de rekstok met het hoofd naar beneden; lichaam gestrekt
laten zakken tot op het horizontale en aanhouden.
6. Vanuit
hang aan de hoge rekstok inrollen of kantelen tot aan het
ophangpunt zonder in het heupgewricht te buigen. (zoals bij
het springen mag men een knie-inzet gebruiken)
Deze oefeningen zijn typische
krachtoefeningen en worden langzaam uitgevoerd met een hoge
graad van aanspanning. Oefeningen met hoge belasting worden in
2-3 sets van 5-6 herhalingen uitgevoerd. Oefeningen met
geringe belasting worden in 3-4 sets met 10-12 uitvoeringen
herhaald.
De tweede groep oefeningen
zijn oefeningen aan turntoestellen. Deze hebben als doel het
slingeren en zwaaien te automatiseren en te versnellen.
Gymnastiek is voor de polsstokspringer eigenlijk een
specifieke krachttraining. Alle oefeningen die een rol spelen
in de overgang van hang naar stut en van stut naar handenstand
zijn functioneel bij het polsstokspringen. Tijdens de
opleiding naar polsstoktopprestaties verliezen de
turnoefeningen hun gymnastische bedoeling. De uitvoeringen van
de turnoefeningen alsook de ontwikkeling van de dynamische
(zwiepende) krachten van de spiergroepen moeten optimaal naar
de polsstokbewegingen gericht zijn. Oefeningen aan het hoge
rek zoals reuzendraai tot handenstand; rollen rugwaarts en
stut tot handenstand enz. zijn met een latoverschrijding uit
te voeren. Zo wordt een polsstoksprong nog exacter nagebootst.
De hulp en de plaats van de trainer is zeer belangrijk bij de
uitvoering van deze gymnastische oefeningen. Dikke valmatten
zijn een noodzaak voor extra veiligheid.
De meeste gymnastische
oefeningen en trampolinesprongen hebben geen relatie meer met
hun eigenlijke wedstrijduitvoering. Zij dienen enkel voor een
correcter lichaamsgevoel van een polsstokspringer in de ruimte
en in de lucht. Ze ontwikkelen het bewegingsgevoel bij het
draaien in een vrije ruimte, het vallen en het landen. Om
topprestaties te leveren is de wedstrijdvoorbereiding zeer
belangrijk. Des te langer men reeds traint, des te hoger het
bereikte prestatieniveau en hoe belangrijk het wordt voor de
verdere ontwikkeling en het sportieve resultaat. Elke
wedstrijd bevordert niet alleen het niveau van de psychische
vaardigheden en de technische capaciteiten maar ook de
psychische eigenschappen, wilskracht, lef en durf,
standvastigheid, het vermogen om al krachten te mobiliseren en
daarbij ontspannen te blijven. Evenals de kundigheid om
emotionele stresstoestanden te beheersen.
Al deze eigenschappen,
typisch bij een wedstrijd, worden door training ontwikkeld.
Typische wedstrijdsituaties worden tijdens sommige trainingen
nagebootst. Men noemt dit dan "modellering van
wedstrijdacties" of ook "integrale training".
Dat houdt tijdens een training in: een duidelijk doelgerichte
opwarming binnen een vaste tijdsduur, controle van de aanloop,
een vast aantal pogingen bij verscheidene lathoogten, steeds
dezelfde pauzes tussen de verschillende pogingen en tenslotte
een streven naar het verbeteren van zijn bestprestatie.
Tegenwoordig zijn drie wedstrijdcycli vast te stellen:
winterwedstrijden tijdens de maanden Januari - Februari, een
eerste wedstrijd-outdoorperiode einde Mei-Juni en de
topwedstrijden van het seizoen in de maanden Augustus -
September. Tijdens deze periode zal de polsstokspringer een groot aantal van 15 tot 20 wedstrijden
betwisten.
Totaalomvang van de
trainingsmiddelen met betrekking tot topprestaties.
1. aantal
hoofdtrainingseenheden 280
2. oefeningen met de polsstok 1000
3. sprongen met de polsstok uit korte aanloop 400
4. sprongen
uit volledige aanloop met intensiteit 80-90% 200
5. sprongen
uit volledige aanloop met intensiteit van 95-100% 200
6.
aanloop en indringen in de polsstok 500
7. sprint- en
hordeloopjes tot 80m. 30km.
8. sprints verder dan 80m. 40km.
9. sprongen 500
10. ver- en hoogspringen 500
11.
haltertraining 150 ton
12. turnen en acrobatie 60 uren
13. wedstrijden 15-20
Controlewaarden voor
topprestaties met betrekking tot de sportieve vervolmaking.
Aanloopsnelheid 10m/sec. 30m.
vliegend 2,8 sec. 30m. vliegend met polsstok 3,0 sec. 60m. uit
stand 6,6-6,7 sec. 100m. met startblok 10,6-10,7 sec.
Verspringen 7.30m. Driesprong uit stand 9.50m. Bankdrukken
135% van het lichaamsgewicht - 105-110kg. Voorslaan 110% van
het lichaamsgewicht - 85-90kg. Hoge rekstok Reuzenzwaai tot
handenstand, afwenden met latoverschrijding. Ringen Zwaaien
tot handenstand Rekstok op borsthoogte Uit streksteun
buikdraai rugwaarts tot handenstand. Polsstokspringen 5.60-
5.80m. Greephoogte 5.00m. greepoverhoging: 0,80-1,00m.
De trainingen zijn in hoge
mate aangepast aan het individuele proces. Topprestaties komen
tot stand door een samenspel van vele factoren. Daarom is het
uiterst belangrijk de indivi-duele sterke punten verder te
automatiseren en de zwakke elementen bij te schaven. Daarom
moet men de individuele bijzonderheden van elke springer
afzonderlijk kunnen mobiliseren, zowel zijn zwakke als zijn
sterke. Om alle fysieke en psychische aspecten voor een
verdere prestatie ontwikkeling te kunnen benutten zal men in
een training tot het uiterste moeten gaan. Hiervoor moet de
springer ook zijn levensstijl aanpassen en zodanig optimaal
organiseren dat alles bijdraagt in functie van een verdere
evolueren van zijn prestaties. Een mooi voorbeeld is Sergej
Bubka die meer dan 35 maal het wereldrecord heeft verbeterd,
olympisch goud won en zes maal wereldkampioen werd. Cijfers
voor trainingsomvang en controlewaarden voor topspringers uit
dit raamplan zijn grotendeels gebaseerd op Bubka's loopbaan.
Op jonge leeftijd bereikte Bubka reeds een zeer hoog
prestatieniveau evenwaardig aan dat van de senioren
polsstokspringers. Na zijn juniorenperiode is de
trainingsomvang niet meer toege-nomen. Volgens zijn trainer
Vitaly Petrov vond er een accentverschuiving plaats naar
verho-ging van de belastingsintensiteit van de
hoofdtrainingsmiddelen. Bubka's testwaarden:
1. 60m. staande
start 6,45 sec.
2. 100m. 10.54 sec.
3. Verspringen 7.57m.
4.
Hoogspringen 2.00m.
5. Bankdrukken 125kg.
6. Pullover 60kg.
7.
Trekken 100kg.
8. Max. Greephoogte 5.17m.
9. Max. Overhoging
1.18m.
De structuur van de
sporttechnische en psychische voorbereiding, kan niet
onveranderd blijven tijdens dit groeien naar een hoger niveau.
Dat betekent dat de relatie tussen de aparte
bewegingsvaardigheden tijdens het groeien naar perfectie van
de jonge springer, zal veranderen. Dat wat in een vroeger
stadium van het trainingsproces belangrijk was, kan later bij
een hoger prestatieniveau, als minder belangrijk betiteld
worden en omgekeerd. Dit heeft alleen maar zin als men
rekening houdt met de technische en psychische opbouw tijdens
een meerjarige, dynamische trainingsopbouw. Topprestaties
leveren, eist een goed gestructureerd meerjaren trainingsplan.
Alleen door middel van een goed opgezet plan kan een springer
goede prestaties leveren. De vereiste hiervoor is het bezitten
van een hoge prestatiedrang. Polsstokspringers die het
wereldniveau bepalen, zijn ook bepalend wat het
trainingsniveau en de trainingskwantiteit betreft. om dat
wereldniveau te bereiken. Hoge training- en
wedstrijdbelastingen vereisen ook een hoog
voorbereidingsniveau. Topprestaties kan men slechts bereiken
als men zich daarvoor ook 100% inzet. Discipline is daarvoor
de bepalende factor bij uitstek. Een belangrijke opgave voor
elke trainer is de sportieve interesses te ontwikkelen en
hiervoor de juiste methoden te gebruiken. De trainer is
verantwoordelijk voor de sfeer tijdens een training. De
trainer moet een ontspannen, vrolijke en motiverende sfeer
scheppen waarin een atleet zich goed voelt waarbij hij de
atleet door moeilijkheden heen helpt en hem naar topprestaties
aanport. Vertrouwen tussen trainer en springer is hiervoor
belangrijk. De springer verwacht in de eerste plaats van een
trainer een vakkundige en wetenschappelijk onderbouwde kennis.
Hij verwacht van een trainer een onbevoordeelde beoordeling
over zijn kunnen, zijn mogelijkheden en zijn vorderingen. Een
atleet verwacht aandacht van een trainer, begeleiding en
ondersteuning op allerlei vlak. Een atleet mag ook zijn
mening met betrekking tot het trainingsopzet, uiten. Daarbij
verwacht de springer van een trainer klaar en duidelijke
beslissingen. Een goede verhouding tussen trainer en springer
werkt positief op de prestaties, op de groepsgeest tijdens de
trainingen en op het resultaat bij de wedstrijden. Het
motiveert tevens de atleet om steeds harder te willen
trainen. Alhoewel "trainen" prestatiebepalend is,
zijn er nog andere bepalende factoren die een prestatie kunnen
beïnvloeden. Een actieve sporter moet ook een
"prestatiegerichte levensstijl" er op nahouden.
Vooreerst een vaste routine tijdens de dag en voldoende
nachtrust, niet roken, geen alcohol en geen koffie. Tevens een
gelijkmatige dosering tussen studie en werk, training en
hobby's en een prima lichaamsverzorging op allerlei vlak.
(medisch, paramedisch...) Naast trainen is de opvoeding tot
deze consequente levensstijl één van de belangrijkste
opdrachten van een trainer.
5. HET IDEALE MODEL VOOR
EEN MAXIMALE ENERGIEOVERDRACHT BIJ HET POLSSTOKSPRINGEN.
Afgeleid van een artikel van
Roman Botcharnikov Vertaald en bewerkt door Georges Friant.
INLEIDING
De bedoeling van dit
theoretisch artikel is aan te tonen, op het vlak van de
energietoevoer bij het polsstokspringen, dat deze
ononderbroken energieoverdracht tijdens het springen door de
springer zelf wordt gecreëerd en tijdens de gehele sprong
omgezet wordt in het systeem springer-polsstok.
Fasen tijdens het springen,
waarbij de springer bij het systeem "springer-polsstok",
het energieniveau kan verhogen, noemen we de ACTIEVE FASEN.
Periodes waarbij de polsstokspringer het energieniveau
verwaarloosd, noemen we de PASSIEVE FASEN.
Op wereldrecordhoogte is de
overdracht van het energiesysteem de belangrijkste factor
waardoor de springer een hoogte kan bedwingen. Dus: des te
meer energie gecreëerd kan worden, des te hoger de hoogte
welke een polsstokspringer overwinnen kan. De polsstokspringer
moet dus die energietoevoer maximaliseren tijdens de sprong
zelf.
Bij het polsstokspringen is
TIJD evenredig aan ENERGIE. Zoals bij een automotor, bezit het
lichaam van een polsstokspringer een bepaalde kracht (kracht
per tijdseenheid) tijdens eender welk moment gedurende het
sprongverloop. Met andere woorden, het lichaam van een
springer kan per tijdseenheid (bijvoorbeeld per seconde...)
onnoemelijk veel energie produceren. Dat betekent dat elk
moment dat een springer geen energie in het systeem "springer-polsstok"
overbrengt, verloren tijd is en tot een mindere energietoevoer
leidt tijdens het springen. In andere woorden, deze verloren
tijd tijdens het springen, is de som van alle passieve fasen!
PASSIEVE FASEN
Een voorbeeld van enkele
logische PASSIEVE FASEN tijdens het polsstokspringen zijn:
indringen met de borst in de stok, druk met de linkerarm tegen
de polsstok en wachten totdat de polsstok zich terug strekt.
Deze acties verhogen de energietoevoer niet in het systeem
"springer-polsstok".
DOEL
Wat het ideaalbeeld betreft,
met betrekking tot de voortdurende energietoevoer tijdens het
polsstokspringen zelf, elimineren we alle PASSIEVE FASEN
tijdens het springen. We kenmerken het polsstokspringen als
een ononderbroken keten van ACTIEVE FASEN. Wij herkennen deze
PASSIEVE FASEN tijdens het springen omdat de springer nog niet
bekwaam is om reeds een goede polsstoktechniek uit te voeren.
Op grond van deze onkunde kunnen er PASSIEVE FASEN tijdens het
springen ontstaan terwijl dan die energie opnieuw herverdeeld
moet worden om toch nog een geslaagde sprong te kunnen maken.
Logisch dat een
polsstokspringer die PASSIEVE FASEN niet mag trainen maar ze
moet minimaliseren of elimineren. Sommige PASSIEVE FASEN
kunnen gewoon door ACTIEVE FASEN worden vervangen. Andere
PASSIEVE FASEN kan men vervangen door het vermeerderen van de
energietoevoer tijdens de ACTIEVE FASEN. Bij de huidige
techniek van het polsstokspringen kan men niet alle PASSIEVE
FASEN wegwerken maar kan men ze wel minimaliseren. Wanneer we
de vergelijking met een auto nogmaals doortrekken en het
autorijden met een handgeschakelde koppeling vergelijken
ontstaan de PASSIEVE FASEN tijdens het schakelen naar een
andere versnelling. Met in het achterhoofd de prestatie te
verbeteren, moet men trachten deze PASSIEVE FASEN te
minimaliseren of zelfs totaal weg te werken.
ENERGIEBRON
Alleen de springer zelf kan
energietoevoer in het systeem "springer-polsstok"
creëren. Het polsstokspringen onderscheidt zich kenmerkend
van de andere springdisciplines in de atletiek. Een
polsstokspringer kan om zijn resultaat te verbeteren,
voortdurend energie overdragen in de polsstok totdat hij deze
loslaat. Er zijn twee hoofdspiergroepen in het lichaam van een
polsstokspringer dewelke energie in het systeem aanbrengen. De
eerste groep noemen we de "beengroep". Deze omvat
alle spieren welke een rol spelen tijdens het aanlopen en het
afzetten voor de sprong. De tweede groep is de
"armgroep". Deze groep omvat alle spieren welke een
rol spelen bij de plantbeweging van de polsstok en de fasen
nadat de springer de grond verlaten heeft (hangfase, inrollen
en uitstutten aan de polsstok). Hieronder de fasen en de
spiergroepen die energie overdragen in het systeem "springer-polsstok":
1. beengroep gedurende de aanloop-afzetfase 2. armgroep
tijdens de insteek/plantfase. 3. armgroep tijdens de
inrolfase. 4. armgroep tijdens de overschrijding van de lat.
Alleen deze spiergroepen
bevorderen de eindenergie in het systeem "springer-polsstok".
Er is geen enkele andere factor voor het vermeerderen van deze
energie die hierbij een positieve rol speelt, tenzij een
lichte rugwind. Om de polsstoktechniek te optimaliseren moet
een springer rekening houden met het volgende: het
optimaliseren van de functie en het doel van deze spiergroepen
tijdens de gehele sprong, terwijl energieverlies welke door
bijvoorbeeld wrijvingsverlies kan ontstaan, moet
geminimaliseerd worden.
VOORTDUREND VLOEIENDE
ENERGIETOEVOER TIJDENS DE AANLOOP.
Een kleine fout tijdens de
aanloop, zoals een zijdelingse blik naar een tussenmerk, zal
de snelheid van de atleet ernstig beïnvloeden. Wanneer een
springer een tussenmerk gebruikt in functie van het juist
doorkomen bij zijn aanloop, onderbreekt hij zijn
energietoevoer enige tijd voor en na het tussenmerk. Met
andere woorden, in het beste geval zal de springer hetzelfde
energieniveau behouden gedurende drie/vier passen tijdens deze
zeer belangrijke fase van de aanloop. Dit nachecken of de
springer juist doorkomt, voert hij uit, omdat hij niet te
dicht zou zitten bij zijn afzet. Vitali Petrov en Sergej Bubka
hebben in het begin van hun loopbaan geen tussenmerk
gebruikt. Later wel en men stelde vast dat het aantal sprongen
waarbij Bubka te dicht afzette, niet afgenomen was. Er is
echter een andere verklaring voor het "onder" zitten
bij de afzet dan zomaar een slechte ritmische aanloop. Dit
verklaren, is echter niet de bedoeling van het artikel.
Wanneer wij dit model van
"de voortdurende energietoevoer nastreven",
onderbreekt dat tussenmerk tijdens een aanloop, die
noodzakelijke energietoevoer voor het systeem "springer-polsstok"
en moet dus vermeden worden. Deze fout onderbreekt niet alleen
de toename van energietoevoer, maar beïnvloedt de
concentratie bij de springer tijdens de zes laatste passen.
Dit is de belangrijkste fase tijdens de aanloop van het
polsstokspringen. Atleet en trainer moeten andere oplossingen
nastreven die een minder nadelige invloed hebben op dit
systeem. Het tussenmerk, als kenmerk voor het correct zitten
bij een aanloop, is enkel een hulpmiddel voor de
trainer/coach.
De afzethoek van het
zwaartepunt tijdens het afstoten in relatie tot de
aanloopbaan, is bij elke atleet/springer anders. Eén aspect
is een zekerheid: de afzethoek ten opzichte van de
grond/aanloopbaan moet zo groot mogelijk zijn. Met andere
woorden, de springer zal tijdens de afzet, de polsstok nog
niet buigen, als hij dit vermijden kan. De polsstok
overbelasten leidt tot een te hoge energie afname van de stok
zelf tijdens het strekken van de stok. De polsstok geeft nooit
de opgestapelde 100% energie terug. Er is nog een andere reden
waarom een te lage insteekhoek nadelig werkt.
Polsstokspringers met een te horizontale afzet zullen een
langere hangfase aan de polsstok trachten te benutten. Dit is
een PASSIEVE FASE die geen energie aan het systeem toevoegt.
Er zijn geen wetenschappelijke experimenten welke een formule
voor een juiste insteekhoek profileren. Een feit is dat de
praktijk uitwijst dat bij een te horizontale afzet de springer
tijdens het tweede gedeelte van de sprong zowel balans als
energie verliest. Het komt hier op neer dat de springer door
niet onmiddellijk in te rollen rond zijn ophangpunt, verloren
tijd betekent. Dit betekent ook dat de springer over veel
minder energie beschikt dan wanneer hij verticaler had afgezet
en geen extra tijd had benut om langer in de stok te willen
indringen. Terwijl de springer nog op de grond staat bij zijn
afzet, mag hij geen weerstand van de polsstok ondervinden.
Hierdoor zal hij het risico op blessures vergroten. Het
ideaalbeeld is wanneer de springer de polsstok pas buigt
wanneer zijn afzetvoet totaal is afgerold. Dit was duidelijk
te zien bij Bubka's eerste 6m-sprong. Terwijl Bubka nog
contact had met de bodem was er niet de minste buiging waar te
nemen in zijn polsstok.Dit geeft aan dat zijn afzet uitgevoerd
werd voordat de polsstok begon te buigen. (free take-off)
ENERGIETOEVOER TIJDENS HET
PLANTEN
Oorspronkelijk heeft de
plantfase slechts één doel: energietransfer opgebouwd uit de
aanloop/afzetfase op een zo efficiënt mogelijke manier om te
zetten in de sprong. Naast deze voorbereiding zal de springer,
wat energietoevoer betreft in het systeem springer-polsstok,
het belang van het insteken/planten niet onderschatten De
bewegende massa tijdens de insteek of plantfase is gelijk aan
de som van het gewicht van de polsstok samen met de massa van
beide armen van de springer. Dit bedraagt ongeveer 15 tot
20kg. Vanuit energetisch standpunt gezien, zal de armactie
gedurende de plantbeweging van het polsstokspringen
gelijksoortig zijn met de armarbeid nodig tijdens elke sprong.
Die verticale armstrekking (richting lat), in relatie tot het
bovenlichaam van de springer, zal tijdens de afzet verder
moeten worden doorgezet en pas voleindigen als de springer de
grond verlaat. Met andere woorden, als de springer het
strekken van deze armactie ten opzichte van het bovenlichaam
niet volledig opwaarts afwerkt tegelijkertijd met het maximaal
afrollen van zijn afzetvoet, zal het afstootbeen, extra 15 tot
20kg moeten dragen.
Laat je borst niet verder
indringen in de polsstok na de afzet...!
Je borst verder in de
polsstok laten dringen na de afzet is verleden tijd...!
"Borstpenetratie" in de polsstok heeft normaal twee
doelen: 1. Het inrollen aan de polsstok uitstellen door het
lichaamszwaartepunt laag te houden en daardoor beter aan de
polsstok te kunnen indringen. 2. Door voorrek van de spieren
aan de voorzijde van het lichaam een actievere pendel en een
snellere slinger aan de polsstok bekomen.
Ik koos voor deze uitdagende
zinswending omdat veel trainers en atleten "het indringen
van de borst" aan de polsstok bewust trainen zonder
hiervan de pro's en de contra's van deze specifieke actie af
te wegen.
Het bewust laten indringen
van de borst in de polsstok vertraagt de inrolbeweging aan de
stok en daardoor verlengt de springer, door zijn zwaartepunt
langer laag te houden, de tijdsduur van het indringen in de
polsstok. Niettemin, borstpenetratie is een passieve fase
waarbij geen energie wordt gecreëerd tijdens deze actie. De
energie wordt eerder opnieuw herverdeeld. We herinneren ons
nog dat een goede atleet bekwaam is om een vooraf bepaalde
hoeveelheid aan energie per seconde te benutten en dat de fase
na de afzet een vooraf bepaalde tijd duurt. Gedurende deze
tijdsfase benut de springer deze extra opgewekte energie niet.
Integendeel, de springer plaatst zichzelf in een ongunstige
positie. In zulk een geval zal er minder energie opgewekt
worden en daardoor zal de springer minder hoog springen.
Het is foutief, maar
"borstpenetratie" vertraagt het inrollen aan de
polsstok en verlengt in het algemeen de tijdsduur dat de
springer in contact is met zijn polsstok. Niettemin, het
beïnvloedt op een negatieve wijze de verticale
snelheidscomponent van het zwaartepunt. De verticale
snelheidscomponent van het lichaamszwaartepunt is rechtstreeks
afhankelijk van de hoogte welke het lichaamszwaartepunt zal
bereiken.
In werkelijkheid, de
tijdsduur dat de borst in de polsstok dringt en het feit dat
het afzetbeen achter blijft, is het resultaat van een correcte
"take-off". "Borstpenetratie" aan de
polsstok is noodzakelijk en is bijgevolg automatisch het
resultaat van een perfecte afzet. Dus "het indringen met
de borst" in de polsstok hoeft niet specifiek getraind te
worden. Integendeel, men moet meer aandacht besteden aan een
volwaardige, zeer actieve afzet. (de actieve fase)
Bovendien, als een
polsstokspringer toch deze actie van indringen met de borst
wil trainen, wie zal hem kunnen zeggen hoelang en hoe actief
hij moet indringen in de stok? Deze actie zal onvermijdelijk
leiden tot een overdreven "borstpenetratie" met als
gevolg dat de springer veel minder doeltreffend zal springen.
Integendeel, wanneer men het accent legt op de actieve fase
(de take-off) de mate van "bortspenetratie"
afhankelijk zal zijn en wordt gecontroleerd met als enig doel
om een maximum aan verticale snelheidscomponent van het
lichaamszwaartepunt te bereiken.
Des te beter de afzet zal
zijn, des te minder er "borstpenetratie" zal
plaatsvinden aan de polsstok. De springer zal een langere
"borstpenetratie" beschouwen als een logisch gevolg
van een slechte, onafgewerkte afzet. Met dit als aandachtspunt
ontstaat een zeer sterke "feedback" bij de springer
waardoor het ontwikkelen en het trainen van de afzetactie aan
de grond zal gestimuleerd worden met als doel de actie van de
passieve fase, met name "de borstpenetratie", te
verminderen
ENERGIETOEVOER TIJDENS HET
INROLLEN (Timing)
De springer zal dadelijk na
het beëindigen van de afzet en het uitdrukken/nadrukken van
zijn afzetbeen, beginnen met het inrollen. De kwaliteit van de
beenstrekking na de afzet hangt af van de kracht tijdens de
afzet en het volledig afrollen van deze afzetvoet. (afzetten-uitdrukken,
nadrukken...) Kortom, de springer zal bij een ideale
uitvoering van deze beweging (de afzet), onmiddellijk moeten
inrollen. Een polsstokspringer kan, door langer actief tegen
de stok aan te drukken evenals langer met de borst in de stok
in te dringen, het inrollen uitstellen. Deze acties en
houdingen belemmeren het lichaam om een natuurlijke, actieve
pendel uit te voeren en verleggen/benadelen de natuurlijke
pendelenergie nodig voor het omhoog liften van het lichaam,
terug in een stokbuiging. Deze geblokkeerde linkerarm of het
langer indringen van de borst, geven geen extra energie aan
het systeem "springer-polsstok". Hoogstens
herverdelen of verminderen deze houdingen/acties de energie
die gecreëerd werd tijdens de aanloop-plantfase. Blokkeren
van de linkerarm tijdens de afzet brengen in de keten van
energietoevoer tijdens het bewegingsverloop, geen extra
energie bij. Vanuit het model van de "voortdurende
energietoevoer" tijdens het polsstokspringen, moeten deze
acties of bewegingen dan ook vermeden worden. In plaats
daarvan moet men de linkerarm zover mogelijk boven het hoofd
plaatsen of deze gebruiken zoals men deze linkerarm gebruikt
aan de niet gebogen polsstok.

De polsstokspringer zal
tijdens de inrolfase zijn lichaam zo gestrekt mogelijk houden.
Dit houdt in dat het lichaamszwaartepunt langer lager blijft
wat dan weer gunstig is voor het indringen aan de polsstok.
ENERGIETOEVOER TIJDENS HET
INROLLEN. (Vervolg)
De stutfase als vervolg van
het bewegingsverloop is haast identiek aan de fase uitgevoerd
aan de niet gebogen polsstok. Tijdens het springen met een
niet gebogen polsstok wacht de springer niet op een strekking
van de stok maar hij zet zijn bewegingen aan de stok zonder
uitstel verder vanaf het begin van het inrollen tot het
verlaten van de polsstok. Tijdens geen enkele fase van het
inrollen merkt men een "stop"-beweging op! Er is
geen enkele reden waarom een springer zich ook niet zo aan een
gebogen glasvezelstok zou gedragen. Het uitstellen van de
stutfase en het wachten op een strekking van de stok
verhinderen alweer de energietoevoer in het gehele systeem.
Daarom zal het uitstellen van het inrollen na de afzetfase
vermeden moeten worden.
DIT MODEL ALS STIMULANS EN
PRIKKEL!
Het trainingssysteem waarbij
de springer de ACTIEVE FASEN tijdens het polsstokspringen wil
verbeteren, stimuleert de springer zich te concentreren en te
focussen op krachtwinst en correcte lichaamshoudingen, nodig
tijdens deze ACTIEVE FASEN van de sprong. Dit is het eerste
wat een springer moet verbeteren als hij een hoger niveau wil
bereiken. PASSIEVE FASEN zijn het resultaat van fouten en
verkeerde houdingen zodat het lichaam zich automatisch aanpast
aan deze ongunstige situaties om toch nog tot een goed
resultaat te komen.
Het is onmogelijk te zeggen
hoe ver de borst moet indringen, hoe fel de druk van de
onderste arm tijdens het verloop van een sprong moet zijn. De
beste sprongen zijn met zekerheid deze waarbij het indringen
aan de polsstok en het drukken van de onderste arm, veel
minder zijn!
ONDERLOPEN
Wanneer een springer te dicht
afzet, zal hij als compensatie voor dit energieverlies tijdens
de afzet de druk van zijn onderste arm tijdens de hangfase en
een verder indringen met de borst, verlengen. Beide acties
begunstigen het indringen aan de polsstok maar vertragen het
inrollen. Deze beide acties vertragen het inrollen aan de
polsstok ten gunste van het indringen in de stok maar deze
acties. zullen de springer ook hinderen met de energietoevoer
in het systeem met gevolg dat de efficiëntie van inrollen en
stutten aan de polsstok vermindert. Kortom, door een reductie
van energietoevoer, zijn deze acties alweer een belemmerende
factor bij het streven naar betere en hogere prestaties.
HOGERE GREEPHOOGTE
Een gelijkaardige situatie
ontstaat wanneer de springer tijdens de wedstrijd een hogere
greephoogte gebruikt dan noodzakelijk. De springer herverdeelt
meer energie in de stok. Deze energie was ontstaan in eerdere
fasen van de sprong. De springer brengt zichzelf in een
ongunstige positie voor latere bewegingen aan de polsstok.
Hierdoor verliest hij eveneens tijd en een deel van de
energietoevoer. Hierdoor zal hij op het einde van zijn sprong
over veel minder totaalenergie beschikken.
Hoe hoger de greephoogte, des
te langer druk van de linkerarm noodzakelijk zal zijn om in de
stok te kunnen dringen. In dat geval, hoe meer tijd er
verloren gaat en des te minder energie in het gehele systeem
opgestapeld wordt en des te minder energie de springer op het
einde nog bezit. Gevolg is alweer een minder goede prestatie.
Daarom zal een springer, die onoordeelkundig tijdens een
wedstrijd zijn greephoogte verhoogt, lager springen dan een
tegenstrever met een lagere greephoogte. Daarom moet een
springer tijdens een wedstrijd al zijn ervaring en intuïtie
aanwenden om een juiste greephoogte te benutten om een zo goed
mogelijk resultaat te bekomen. Soms kan een vermindering van
de greephoogte met 5cm. een verbetering geven van 10 tot 15cm.
Met een lagere greephoogte kan de springer PASSIEVE FASEN
reduceren of minimaliseren omdat hij zich geen zorgen moet
maken of hij al of niet op het polshoogbed terecht zal komen.
Wanneer de tijdspanne voor PASSIEVE FASEN vermindert wordt,
heeft de springer meer tijd om meer energie in het gehele
systeem te stoppen. Hierdoor zal hij een betere stut en
overhoging aan de polsstok bereiken.
KOMPENSATIES
Deze voorbeelden zijn sterk
vereenvoudigd maar beschrijven treffend de oorzaken en
werkingen tijdens het polsstokspringen. Hoger beschreven is de
springer gedwongen zijn fouten (onderlopen en te hoge
greephoogte...) te compenseren. Menig polsstokspringer zal
deze compensatibewegingen automatisch uitvoeren met eender
welke greephoogte of met een juiste afzetplaats omdat ze
denken dat deze bewegingen hen een voordeel opleveren. Deze
springers verliezen heel wat nodige energie met een lagere
spronghoogte als gevolg.
HET GROTE VOORDEEL VAN DIT
MODEL
Dit artikel werd geschreven
om een inzicht te krijgen in het bewegingsverloop van het
polsstokspringen met betrekking tot voortdurende
energietoevoer tijdens het springen zelf, noodzakelijk voor
dit concept. Ook omdat dit concept een stimulans en een
verbetering zou zijn bij de fysieke ontwikkeling van een
polsstokspringer. Dit concept is zo eenvoudig dat een springer
het makkelijk zal kunnen begrijpen en men het eenvoudig en
snel kan aanleren. Het is tevens een relatie tussen de fysieke
inbreng van het lichaam en het na te streven eindresultaat.
Bovendien stimuleert het de persoonlijke motivatie van een
springer om deze energietoevoer, voor het beschreven systeem,
te optimaliseren in functie van een beter gebruik van de
polsstok en tenslotte: een hoger eindresultaat.
BESCHRIJVING VAN DE IDEALE
ENERGIETOEVOER IN HET SYSTEEM
· Het polsstokspringen en
zijn beweging als een geheel beschouwen.
· Aanloop aanvatten met lange, rustige passen. Ritme en
frequentie opbouwen tot aan het afzetpunt. (inspanningen
vergroten tot aan de afzet)
· Polsstok laten zakken op ongeveer 6 passen voor da afzet.
Let er echter op dat de pasfrequentie blijft verhogen. ( vanaf
dat moment bewegen de armen zich voortdurend)
· Tijdens de laatste twee passen de polsstok met beide armen
actief en dynamisch in verticale richting verplaatsen over het
afzetpunt heen in de richting van de lat.
· Explodeer!!! Verticaal van de grond afzetten richting lat
terwijl het afzetbeen volledig wordt uitgestrekt(afzetten,
uitdrukken, nadrukken...). Tegelijkertijd het bovenlichaam
totaal uitrekken. Voer met de onderste arm geen druk uit tegen
de polsstok!!! (niet blokkeren.)
· Rol dadelijk in na het beëindigen van de afzet.
· Maak de inrolbeweging af zoals aan de ringen gevolgd door
een stutbeweging tot handenstand. Versnel de beweging tot op
het moment dat je de stok verlaat.
· Gedraag je zo alsof je de lat wil vermijden en op een zacht
polshoogbed wil landen.
Nota: verwar de "ideale
voortdurende energietoevoer" niet met de perfecte
polsstoktechniek! De perfecte techniek is bij elke sprong
anders maar het idee van de "voortdurende
energietoevoer" in het systeem, blijft gelijk. Het is
mogelijk om zich, zoals hierboven beschreven, exact te
gedragen zoals met een greephoogte aan een weinig gebogen
polsstok gesprongen wordt. Een 5.80m springer moet deze hoogte
kunnen halen met een greephoogte van 4.70m tot 4.80m Wanneer
de springer zijn greephoogte verhoogt zal hij automatisch
langere PASSIEVE FASEN benutten zoals langer indringen met de
borst of meer druk op de polsstok willen zetten met de
onderste arm! Hoofddoel is de PASSIEVE FASEN te verminderen,
terwijl de greephoogte mag toenemen door een verhoging van de
energietoevoer en een juiste sturing van deze energiestroom
(snelheidsvector) richting lat. Dezelfde benadering is juist
voor elke greephoogte tussen 4.50m en 5.20m.
Op een bepaald moment wordt
de greephoogte te hoog!!! Het probleem bij een te hoge
greephoogte bestaat daarin dat de PASSIEVE FASEN in tijdsduur
zolang worden dat de springer ze niet meer verlengen kan zodat
hij tijd verliest nodig voor het strekken en oprichten van de
polsstok en zo tenslotte helemaal niet meer tot een
functionele inrolbeweging kan komen. Resultaat...er is een
tijdstip waarop de springer te lang in de stok is ingedrongen
om nog een beweging af te maken en de polsstok zich al zo ver
heeft gestrekt dat de springer niet meer in staat is om in te
rollen. De enige energietoevoer die bereikt werd, was deze in
de aanloop en de afzet. Er blijft nog weinig energie over om
aan de polsstok zelf te werken met als gevolg: een te hoge
greephoogte zal een nadelige invloed hebben op de
totaalenergie voor het systeem "springer-polsstok".
Slechts lagere spronghoogtes zullen dan maar gesprongen
worden. Wat kan men tegen te hoge greephoogten doen?
1.
Verbeter de plant/insteektechniek. Hierdoor spaar je energie.
Een correcte insteek leidt tot een afzet zonder weerstand!
2.
Verminder de tijdspanne aan PASSIEVE FASEN door verhoging of
verbetering van de energietoevoer tijdens de ACTIEVE FASEN.
3.
Verminder de PASSIEVE FASEN.
5. DE 20 GEBODEN VOOR EEN
PERFECTE POLSSTOKTECHNIEK!
DE SPRINGER
1. WEES GROOT.

Topspringers die hoger dan
5.80m. gesprongen hebben zijn over het algemeen vrij groot.
Bij het polsstokspringen zijn grotere atleten bevoordeeld. De
meeste topspringers zijn groter dan 1.84m. Nochtans zijn er
uitzonderingen. Korry Tarpenning, Joe Dial, Thierry Vigneron,
Greg Duplantis, Philippe Collet sprongen allen hoger dan
5.80m. en waren allemaal kleiner dan 1.80m.
2. WEES SNEL!
Uitstekende
sprintcapaciteiten zijn noodzakelijk om succesvol te kunnen
polsstokspringen. Topspringers halen snelheden van 9,5m/sec.
tijdens de laatste aanlooppassen. Niet alle snelle springers
zijn topspringers maar alle topspringers zijn snel.
3. SPRING VOOR MEERDERE
JAREN...!
Topspringers zijn ervaren
springers. De meeste springers springen meer dan 15 jaar voor
zij de echte top bereikten. Polsstokspringen is een zeer
moeilijke discipline om volledig te beheersen. Het vergt veel
tijd om dit te leren en zelfs jaren om bedreven te zijn in
deze atletiekdiscipline. De meeste elitespringers bereikten
hun top op een leeftijd van 25 en 30 jaar. Earl Bell sprong
zijn persoonlijk record van 5.86m. toen hij 32 was. Hij werd
4e op de Olympische Spelen in Atlanta op een leeftijd van 33
jaar. Hij bereikte deze topprestaties na meer dan 20 jaren
ervaring en training.
HET MATERIAAL
4. GEBRUIK EEN HOGE
GREEPHOOGTE AAN EEN HARDE POLSSTOK.

Topspringers gebruiken hoge
greephoogten aan harde polsstokken. Elitespringers gebruiken
een greephoogte van minimaal 4.90m. De stokken die ze
gebruiken zijn 5.00m (16'5") lang of zelfs langer. De
flexnummers van de gebruikte polsstokken zijn 15.0 cm. of
minder. Dit duidt op polsstokken te gebruiken door springers
met een lichaamsgewicht van 90kg. (198 lbs) of meer!
5. GEBRUIK EEN POLSSTOK
WAARBIJ JE DE PALEN ACHTERAAN KAN PLAATSEN.
Topspringers plaatsen hun
palen 55cm. diep of zelfs verder achter het nulpunt van de
insteekbak, dit om hun veiligheid te optimaliseren.
DE AANLOOP.
6. WEES SNEL zie punt 2
hierboven.
7. VERTRAAG NIET TIJDENS DE
LAATSTE DRIE PASSEN!
Elitespringers kunnen hun
snelheid tijdens de laatste aanlooppassen aanhouden en zelfs
versnellen. Topspringers vergroten hun snelheid van de
voorlaatste naar de laatste aanlooppas voor hun afzet. Veel
springers, zelfs sommige topspringers, vertragen nog tijdens
de laatste drie passen. Dit moet vermeden worden. Zorgen dat
je de polsstok dynamisch en tijdig plant, op de exacte plaats
afzet met een juiste lichaamshouding op het moment dat de
polsstok de achterwand van de insteekbak raakt, zijn factoren
die het pasritme tijdens de laatste passen kunnen verstoren en
vertragen. Vele trainingsuren en oefendrills zijn noodzakelijk
voordat een springer kan versnellen of zijn snelheid kan
aanhouden tijdens de laatste passen van zijn aanloop.
8. GEBRUIK EEN LANGERE
VOORLAATSTE PAS EN EEN KORTERE SNELLE LAATSTE PAS.
De meeste polsstokspringers,
top- of recreantspringers gebruiken een langere voorlaatste en
een kortere, snellere laatste aanlooppas. Voor de meeste
topspringers bedraagt de lengte in afstand tussen laatste en
de voorlaatste aanlooppas, 0.90 tot 0.95cm. Het pasritme neemt
toe tijdens de laatste pas zodat de snelheid niet afneemt
ondanks een kleinere en kortere laatste pas. Elitespringers
gebruiken een kortere paslengte waardoor de pasfrequentie
toeneemt zodanig dat de snelheid tijdens de laatste pas voor
de afzet nog kan verhogen.
PLANTEN EN AFZETTEN
9. AANHOUDEN VAN EEN RECHTE
POSITIE
Topspringers zijn groter bij
de afzet en het planten van de polsstok. Minder getrainde
springers leunen achterwaarts tijdens deze fase. Dit heeft een
negatief effect op de afzetsnelheid. Het heeft een nadelige
invloed op de "maximale insteekhoek" tussen de
polsstok aan de aanloopbaan.
10. MAXIMALISEER DE
INSTEEKHOEK TUSSEN DE POLSSTOK EN DE AANLOOPBAAN TIJDENS DE
AFZET.
Dit verkleint de insteekhoek
waarrond de polsstok moet roteren om tot een verticale positie
te komen. Het laat tevens een efficiëntere energietransfer in
de polsstok toe. Als de greephoogte aan de polsstok toeneemt,
verkleint de insteekhoek. Topspringers hebben dus een kleinere
insteekhoek dan minder getrainde springers. Deze insteekhoek
hangt tevens af van de lengte van de springer. Een grotere
polsstokspringer zal mogelijkerwijze een grotere insteekhoek
hebben. Elitespringers hebben tijdens het planten een
insteekhoek van minder dan 30°. Deze vergroot lichtjes tussen
het moment van planten en afzetten.
11. HOUDT JE LICHAAM
AANGESPANNEN TIJDENS HET PLANTEN
Het planten is het begin van
de energietransfer welke een springer overbrengt in de
polsstok. Indien het lichaam "vormloos" is, zal de
energie welke als transfer zou moeten omgezet worden in de
polsstok, verloren gaan in de vorm van ontspannen spieren en
pezen. Voorrek en aanspannen van de spieren in de borst,
schoudergordel en armen zal dit energieverlies minimaliseren.
12. PLANT ZO HOOG MOGELIJK.
De bovenste hand plaats je zo
hoog mogelijk boven het hoofd. Deze arm moet maximaal, zo hoog
mogelijk gestrekt zijn. Dit bevordert de insteekhoek bij het
planten. (zie 10 hierboven). Merkwaardig is dat het strekken
van de bovenste "plantarm" bij topspringers dikwijls
minder is dan bij minder getrainde polsstokspringers.
Misschien is de voorrek in de spieren van de schoudergordel en
de armen (zie 11 hierboven) oorzaak dat topspringers het
strekken van de plantarm verminderen.
13. PLANT DE POLSSTOK
LOODRECHT TEN OPZICHTE VAN JE AFSTOOTVOET .
Op het ogenblik van de plant
(het moment dat de polsstokdop voor het eerst de achterkant
van de insteekbak raakt) moet de bovenste hand loodrecht staan
ten opzichte van de bal van de voet. Deze actie plaatst de
springer in een perfecte positie voor een optimale
energietransfer in de polsstok. Dit betekent ook dat op het
moment van de afzet, de tophand zich voor de afzetvoet bevindt
zodat de tophand voorwaarts beweegt als de stok begint te
buigen. De meeste polsstokspringers plaatsen hun afzetvoet
voor hun bovenste hand tijdens het planten. Topspringers
plaatsen hun afzetvoet loodrecht onder hun tophand.
14. PLANT DE POLSSTOK WANNEER
JE OP JE TENEN STAAT.
Plant de polsstok niet
wanneer je nog op de hiel van je afzetvoet staat. De timing
van de plant (het moment dat de polsstokdop de achterkant van
de insteekbak raakt) is zeer belangrijk. De volgorde van
handelingen gebeurt als volgt: de afzetvoet raakt de grond (touch-down),
de polsstok raakt de achterkant van de insteekbak (pole-plant),
en de afzetvoet verlaat de grond (take-off). Deze actie duurt
bij topspringers 0.08-0.12 sec. (totale tijd van afrollen van
de voet tijdens de afzet). Voor topspringers gebeurt het
planten tijdens het tweede gedeelte van de steunfase, korter
bij het moment dat de afzetvoet de grond verlaat. Dit duidt
aan dat zij zeer actief van de grond afzetten. Zij staan
" op de tenen " wanneer zij de polsstok planten en
duwen tegelijkertijd de polsstok zeer actief op- en voorwaarts
in de richting van de lat. Indien het planten plaats vindt
tijdens het eerste gedeelte van de afzet, korter bij het
moment van de voetplaatsing zal de springer niet in staat zijn
de polsstok actief opwaarts en voorwaarts te duwen of te
planten. De springer zal van de grond getrokken/gerukt worden
door de polsstok. De timing van het planten is gekoppeld aan
de positie van de afzetvoet en de strekking van de plantarm.
15. SPRING VOOR-OPWAARTS BIJ
DE AFZET.
Een snelle afzet is
noodzakelijk om hoog te springen. Topspringers hebben een
afzetresultante met een snelheid van meer dan 8.0m/sec. De
resultante bij een afzet bestaat uit een horizontale
(voorwaartse) en een opwaartse (verticale) snelheid. De
horizontale afzetsnelheid komt tot stand door een snelle
aanloop. De verticale snelheid komt tot stand door een afzet
die opwaarts gericht is. Topspringers hebben een horizontale
afzetsnelheid van meer dan 7.7m/sec. en een verticale
afzetsnelheid van 2.2m/sec. Topspringers hebben een afzethoek
tussen 14° en 19°. Afzethoeken die kleiner zijn, kunnen de
oorzaak van een polsstokbreuk zijn; BUIGFASE VAN DE POLSSTOK
16. START HET BUIGEN VAN DE
STOK MET DRUK VAN DE ONDERSTE ARM.
Deze actie begint bij het
planten van de polsstok en duurt slechts kort tijdens de
zwaai- en pendelfase, ongeveer 0.20 sec. na de afzet. De
kracht uitgeoefend door de onderste arm zal grotendeels
afnemen nadat de polsstok gebogen is.
17. HOUDT DE BUIGING IN DE
STOK DOOR HANGEN EN ZWAAIEN ROND DE BOVENSTE HANDGREEP.
De kracht uitgeoefend door de
handen in neerwaartse zin richting insteekbak en uiteinde van
de polsstok is een samengebundelde kracht welke in de eerste
plaats de polsstok doet buigen. Des te groter deze kracht is
en hoe verder deze kracht van het polsstokeinde uitgeoefend
wordt, des te makkelijker de stok zal buigen. Daarvoor zal de
springer proberen te pendelen rond zijn bovenste hand om te
verzekeren dat deze kracht uitgeoefend op de polsstok, zo
groot mogelijk is. Sommige trekkrachten zullen uitgeoefend
worden door de onderste arm na de eerste initiële druk bij
het begin van de stokbuiging. Deze trekkrachten helpen de
springer om zijn lichaam zo snel mogelijk opwaarts te roteren.
STREKFASE VAN DE POLSSTOK.
18. LAAT DE TREKKRACHTEN VAN
DE ZICH STREKKENDE POLSSTOK DOOR DE ONDERSTE ARM LOPEN.
Tijdens de strekfase van de
polsstok wordt de springer opwaarts gekatapulteerd door een
kracht uitgeoefend door de stok die verloopt door de
handgreep. Als de polsstokspringer meer van deze krachten door
zijn onderste handgreep laat lopen zal de polsstok zich meer
als een hardere stok gedragen. Dit zal de streksnelheid van de
polsstok vergroten met als gevolg dat de springer krachtiger
opwaarts zal gekatapulteerd worden.
19. HOUD JE HEUPEN EN
ZWAARTEPUNT DICHT BIJ OF ACHTER DE POLSSTOK BIJ HET STREKKEN
NA DE INROLFASE NAAR EEN I-POSITIE.
Toestaan dat het zwaartepunt
van de springer de polsstok voorbijsteekt terwijl hij zich aan
de stok in opwaartse zin uitstrekt, creëert men een moment
waardoor de polsstokspringer stopt met inrollen rond zijn
handgreep. Benen en bovenlichaam vallen dood terug en draaien
zich richting lat.
LOSKOMEN EN LATOVERSCHRIJDING
20. LAND VEILIG OP HET
POLSSTOKBED.
Polsstokspringers die veilig
landen hebben meer plezier en zijn in staat opnieuw te
springen.
Succes.
Georges Friant Bondscoach polsstokspringen Nederland.
Literatuurstudies.
Verchoshanskij, Ju. V; :
Actuele problemen bij de theorie en methodiek van de moderne
training. Teorija i Praktika Fizicheskoj Kul'tury, N. 8 1995
Kreer, V.A., Popov, V.B.:
Springnummers in de atletiek. Moskau, *FiS, 1986
Popov, B.B, Suslov, F.P.,Levando,
V.A.: De jonge atleet, Moskau, *FiS
Atletiek/Leerboek voor het
Instituut voor Lichaamscultuur, Redactie: N.G. Ozolin, V.I.
Voronkin, Ju. N. Primakov, Moskau, *FiS, 1989
Shustin, B.N., Radchich, I.
Ju., Preobrashenskij, I.N., ovcharenko, L.N.: Het is tijd om
de stenen te verzamelen. Teorija i Praktica Fisiceskoj
Kul'tury, N. 10 1998
Jagodin, V.M.:
Polsstokspringen. Moskau, Fis 1978
Jagodin, V.M., Volov, Ju. N.,
Kurbatov, V.I.: Systeem ter voorbereiding van het
polsstokspringen. Legkaja Atletika, N. 9-10 1978
*FiS: afkorting van de
uitgeverij Fizkul'tura i Sport. (Lichaamscultuur en Sport)
Hans Pfister, Hansjörg
Holzamer, Eckart Hutt, Alfred Rapp, Herbert Czingon (Endredaktion):
Rahmentrainingsplan Sprung Aufbautraining. - Deutscher
Leichtathletikverband. (DLV) 1987
Tjalling Van Den Berg :
Turnen in beeld. 1991 De Vrieseborch Haarlem.
Geoffrey Dyson : The
Mechanics of Athletics. 1977 Hodder and Stoughton.
Athlétisme 2/ les sauts-les
lancers épreuves combinées. Alain Billouin. Editions Robert
Laffont Paris
Traité d'athlétisme Les
Sauts Houvion / Prost / Raffin Peyloz Collection Sport et
Renseignements - Vigot Editions Paris
|